Sterke strijdverhalen

Onze vakbondsgeschiedenis is rijk aan verhalen! Graag delen we de herinneringen van opmerkelijke vakbondscollega's met jullie. 

 

Voor het tweede interview van de interviewreeks met de anciens van onze vakbond zijn we in Oost-Vlaanderen aanbeland. Welke plek kan een betere achtergrond vormen dan de van geschiedenis doordrongen Vrijdagmarkt in Gent? Je vindt er de door arbeiders gefinancierde gebouwen  ‘Ons Huis’ en ‘Bond Moyson’ samen met het standbeeld van de Gentse held Van Artevelde die in de veertiende eeuw zorgde voor het behoud van de economische vrijheden en voorrechten. 

We spreken vandaag met Robert Blansaer, geboren op 1 augustus 1928, en Reimond Versprille, geboren  op 13 mei 1942. Twee Oost-Vlaamse syndicalisten in hart en nieren. 

 

Robert, je wordt deze zomer 87 jaar. Dat betekent dat je oorlog hebt gekend.

carelsberoepsschoolRobert: Ik ben tijdens de oorlog in 1942 op mijn 14 jaar gaan werken en weet dus wat het is om honger te lijden. Ik ben nog gaan werken met twee sneetjes droog brood. Mijn moeder zei met de tranen in haar ogen: ”Het spijt me, maar ik heb niets meer en ik ga proberen deze avond als je thuis komt iets vast te krijgen.”

Jullie begonnen  zeer jong te werken. Hoe zag een werkweek eruit voor een jonge knaap in de jaren ’40 en ‘50?

Robert: Ik herinner me nog het 8e studiejaar , ik was toen 13 jaar en 10 maanden. Ik kreeg mijn rapport zaterdagmorgen en maandagmorgen om 6 uur moest ik gaan werken tot  ‘s avonds 6 uur, inclusief de zaterdag. Dat waren 72 uren in de week. Ik werkte in een klein atelier waar de motoren van auto’s volledig gereviseerd werden. In de werkplaats waren we met een 15-tal mensen aan het werk. Ik was daar de leerling met mijn 14 jaar, helper van iedereen eigenlijk. Ik heb daar tot aan de bevrijding gewerkt. Ik was graag naar de beroepsschool geweest om een stiel te leren bij Carels, de stedelijke beroepsschool, maar mijn moeder zei: ”Het spijt me, maar je moet gaan werken om geld te verdienen om brood te kunnen kopen.” Ik heb me laten inschrijven om avondlessen te volgen. Ik heb dan 3 jaar avondles gevolgd om het diploma B2-B6 te halen. Ik ging dus van maandag tot zaterdag werken , 3 dagen naar de avondschool in de week en ook nog eens zondagvoormiddag van 8 tot 12. Zondagnamiddag maakte ik mijn huiswerk. Op de avondschool kreeg ik twee vakken : wiskunde en technisch tekenen. Ik heb het volledige traject afgelegd.

Als ik mijn jeugdjaren vergelijk met de jeugd van nu, dan kan ik zeggen dat de jeugd van nu de kinderen zijn van de welvaartsmaatschappij. Soms word ik uitgenodigd om in scholen over vroeger te vertellen en zie ik die kinderen van 12-13 jaar net zoals mijn eigen kleinkinderen vol ongeloof kijken als ze horen hoe onze jeugd eruit zag.

Reimond: In 1956, ik was toen 14, moest ik gaan werken in een textielfabriek in twee ploegen. Om 4 uur opstaan en met de fiets naar de fabriek in weer en wind en om 5 uur beginnen tot 13.15 uur. De week nadien was het dan van 13.15 tot 21.30 uur, inclusief zaterdagwerk. Gedaan met verder studeren. Slechts enkele leerlingen, hoofdzakelijk van de gegoede burgerij, konden verder studeren. Wij werden toen maar aan 50 % betaald ten opzichte van volwassen werknemers voor hetzelfde werk. De zogenaamde jeugdbarema’s. Je kreeg dan tot 21 jaar 10 % bij per jaar.

Ik herinner me nog heel goed dat, toen ik na een dag werken in de fabriek buiten kwam, ik overal de mensen hun mond zag bewegen, maar totaal niet hoorde wat ze zegden. Mijn oren tuitten van het lawaai van de weefgetouwen. Dat duurde verschillende uren voor er weer wat klank opdaagde. Oordoppen moesten nog uitgevonden worden, denk ik. Gevolg: levenslange gehoorschade. Neem daarbij de hitte in juli en ik besloot toen al: “Dat ga ik niet mijn ganse leven blijven doen.”

 Waren jullie ook al jong syndicaal actief?

RobertaandraaibankbijCarelsRobert: Tijdens de oorlog was ik niet gesyndikeerd. Op 4 oktober 1944 zijn mijn vader en ikzelf samen lid geworden van de vakbond. Mijn vader werkte toen bij Carels, het grootste bedrijf in de metaalverwerkende nijverheid waar ik ook altijd graag had willen werken.  Ik had het geluk op mijn 17 jaar bij Carels te mogen beginnen.

Na mijn militaire dienst en terug bij Carels werd ik op het bedrijf aangesproken door een syndicalist die zich voorstelde als de vertrouwensman van de socialisten. Hij stelde me voor om toe te treden tot de militantenkern. Daar heb ik de hele structuur leren kennen, we vergaderden iedere laatste werkdag van de maand op het werk zelf een uur tot anderhalf uur. Dan kregen we alle informatie , wat er lopende was , enz …

Ik heb me dat nooit beklaagd, want ik voelde me in die groep echt thuis. Wellicht omdat ik een bepaalde vorm van sociale onrechtvaardigheid had ervaren in mijn jonge leven. Zo ben ik geleidelijk aan doorgegroeid tot de rechterhand van de hoofddelegee.  Van 1948 tot 1962 was ik militant. In 1962 , toen de hoofddelegee met pensioen ging, werd ik delegee in een van de belangrijkste afdelingen, de ‘usinage’.  

Ik ben in 1967 verkozen in de ondernemingsraad. Wel niet zonder slag of stoot. Van de toenmalige secretaris Marcel De Schepper mocht ik niet op de verkiezingslijst komen en ik zat ook niet het provinciaal bestuur. Ik had het ongeluk dat ik een communist was. Ik heb altijd de steun gehad van Gust Wallaert (secretaris-generaal CMB 1961-1973). Hij heeft me altijd de hand boven het hoofd gehouden. Ik ben dan toch op de lijst gekomen , omdat De Schepper moest toegeven, maar moest op de laatste plaats staan. Ik kreeg zoveel voorkeursstemmen dat ik op de tweede plaats eindigde. Ik heb altijd problemen gehad met de secretaris. Hij heeft dan geprobeerd me uit te kopen door me een plaatsje in de gemeenteraad te beloven. Die man had zo een ongelooflijk anticommunisme in zijn lijf zitten. In maart 1970 werd ik hoofdafgevaardigde tot de sluiting in maart 1987. En hoewel ik hoofddelegee was, kwam ik niet in het Bestuur tot de week na zijn pensioen.

PrikactiesBellPhone

Reimond: Wanneer wordt men ‘syndicalist’? Wat betekent dit woord ? Ik heb me dat vaak zitten afvragen, maar mijn eerste aanraking daarbij was wel toen ik mijn moeder eens hoorde vertellen dat ze moest stoppen met school op haar 12 jaar en moest gaan dienen en inwonen bij rijke mensen waar haar opdrachten uitsluitend in de Franse taal gegeven werden. Dan gaat er een klik in je hoofd en denk je: dat is toch niet normaal?. Want de kinderen van diezelfde rijke mensen mochten wel naar school en dan vraag je je af: waarom is dat zo? Dat is de eerste link die je legt met ‘syndicalisme’ door de sociale onrechtvaardigheid.

Bij Bell Telephone in Gent ben ik eigenlijk pas vakbondsmilitant geworden. Ik kon mijn mond niet houden ,  als het ging over sociale onrechtvaardigheid en sprong regelmatig in de bres voor verschillende collega’s. De toenmalige hoofddelegee  vroeg me dan ook eens om op de ABVV-lijst te komen. Ik werd toen al direct verkozen. In 2002 ben ik dan later ook verkozen als Gewestelijk Secretaris voor Gent.Mijn ‘praktische’ syndicale activiteiten zijn eigenlijk tamelijk vroeg begonnen. In de tijd van de grote  textielstakingen (1956-1960). Ik denk dat toen ook de strijd voor arbeidsduurvermindering om van 48 naar 45 uren o.m. aan de orde waren, boeiend genoeg om mee aan de poorten te gaan staan en erbij te zijn. Dat was toen echt algemene solidariteit. Er was een enorme tewerkstelling in de textiel in die tijd en de hele textielsector Gent-Eeklo lag toen gewoon plat.

Hoe evolueerde de syndicale werking in jullie bedrijven?

Robert: Bij de sociale verkiezingen hebben we altijd een kleine meerderheid gehad. Dat kwam door ons dienstbetoon. Ik wist hoeveel leden we hadden en bij de uitslag van de sociale verkiezingen hadden we altijd 10-15 % meer stemmen dan leden. Ons dienstbetoon toen bestond erin belastingbrieven in te vullen. We zijn daar in de jaren ‘60 mee begonnen. Vanaf 1963 zijn we ook begonnen met het uitrekenen van die brieven. Ook belangrijk was de mensen op de juiste weg te zetten en ze naar de juiste personen te sturen. Iemand met een gehandicapt kind bv. was een jaar aan het wachten op kindergeld en dankzij contacten bij de sociale dienst is dat in tien dagen in orde gekomen. Die man kreeg zijn kindergeld met terugwerkende kracht van een gans jaar. Hij zat in andere middens en kon niet overkomen naar ons maar heeft wel reclame gemaakt en zulke dingen tellen ook mee.

Ik heb het geluk gehad dat ik mijn hele leven in dezelfde fabriek heb gewerkt en daardoor een syndicale werking kon opbouwen. Een syndicale werking uitbouwen doe je met mensen he , en vanaf als jonge gast heb ik me er al altijd goed bij gevoeld. 

militantenBellPhone

Reimond: Toen ik de eerste keer opkwam bij de verkiezingen was de verhouding 2-2-1 en de volgende keer, ik was inmiddels al vier jaar delegee, haalden we een magnifieke uitslag, namelijk 3-1-1. We haalden ook meer stemmen dan dat we leden hadden.

Bij Bell heb ik een hele goede militantenwerking kunnen opbouwen. Er was een zeer grote solidariteit. Ik had iemand die heel goed met de computer kon werken, iemand die voor de foto’s zorgde bij acties en ikzelf zorgde voor de zang en strijdliederen. Maar ook onze andere militanten waren enorm gedreven. We toonden onze solidariteit ook bij de openbare diensten en de textielsector. Om onze groep samen te krijgen was nooit een probleem. Dat engagement zet zich verder bij de senioren.

Robert: In december 1984 werd de bruggepensioneerdenwerking opgericht onder  Algemeen Secretaris van de CMB Fred Pieters uit Brugge. In 1987, toen de fabriek sloot, was de gepensioneerdenwerking binnen de vakbond net gestart. Daarvoor bestond dat niet, een gepensioneerde kreeg een afscheidspremie van de vakbond en daar hield het op. Ik heb dat begin in Gent meegemaakt en mede de werking opgericht . Ik ben nu nog lid van de VLIG (de Vlaamse Intergewestelijke) , de Vlaamse Ouderenraad , zit in de Commissie inkomen. Ik kan me er nu nog altijd in uitleven. Ik ben nog altijd actief bij de gepensioneerden, militant van mijn 20e tot mijn 87e zonder onderbreking.

Wat zijn de meest memorabele momenten uit jullie vakbondscarrière?

Robert: Onder andere de staking van ‘60-‘61 tegen de Eenheidswet van Eyskens is me altijd bijgebleven. Ik stond aan de vooravond om delegee te worden. En vooral de bedrijfsbezetting natuurlijk van 11 december 1973 tot 5  januari 1974. De Amerikanen besloten de gieterij te sluiten. Daar werkten 100 mensen en wij waren niet akkoord en hadden het bedrijf bezet. Dat was uniek in het Gentse.  Nooit voorheen was in het Gentse een bedrijf bezet geweest. Kerstmis en Nieuwjaar hebben we in de fabriek doorgebracht. Het resultaat was dat ondanks de afdeling gesloten werd de 97 getroffen arbeiders samen met de VDAB in een cursus van zes maanden omgeschoold werden tot bankwerkers , pijpfitters en booglassers. Gedurende die cursus kregen ze werkloosheidsuitkeringen en werden door het bedrijf bijbetaald tot 100 % van hun loon.

Daar heb ik ook ervaren dat onderhandelen een techniek is. In zulke situaties voortdurend roepen en tieren brengt niets. Uiteindelijk beland je toch aan tafel. En met de nodige dossierkennis en wetende waarover het gaat kan je tegenvoorstellen doen die aanneembaar zijn.

BetogingCharleroiReimond: Op bepaalde momenten hebben we zware stakingen meegemaakt die me toch zijn bijgebleven. Buiten diegene op Bell Telephone zelf tegen afdankingen en andere inleveringen was er de staking bij Mannesmann Carnoy, waarbij ook een delegee werd ontslagen en anderzijds tegen de afdanking van 4 delegees bij Sidmar. Er waren toen betogingen, stakingen, solidariteitsacties ,…

Dit waren stakingen en betogingen tegen een zeer agressief patronaat  dat tegenover een militante vakbondsdelegatie stond. Dat heeft soms maanden geduurd, arbeiders werden tussendoor zelfs afgedankt. Er zijn toen processen geweest voor de Arbeidsrechtbank die we gelukkig gewonnen hebben. Er waren twee zware gevallen die je als secretaris niet te veel wil meemaken, omdat ze je serieus  afmatten. Je bent continu in de weer en moet enorm veel zaken afhandelen.

Tegen Het Globaal Plan hebben we andere grote manifestaties meegemaakt. Van de acties tegen de Eenheidswet kan ik niet meespreken omdat ik toen sedert  november 1960 in het leger zat. Ik weet wel dat ik net in Turnhout was voor mijn opleiding als chauffeur. We werden opgeroepen om langs de spoorlijn Brussel-Leuven  3 weken lang te patrouilleren tijdens een zeer koude winter.      

Robert: Ja, de staking duurde 4 weken in Vlaanderen en in Wallonië staakten ze voort. Tijdens de eerstvolgende werkweek hebben we een paar duizend frank voor Wallonië ingezameld na een oproep voor financiële steun. Het was niet erg veel, maar ja, we hadden zelf al vier weken plat gelegen.

Verliepen die acties allemaal zonder slag of stoot?

IMG 5500

Robert: Qua acties hebben we eigenlijk nooit echt last gehad met de ordehandhavers in Gent. We hadden misschien een voordeel. De toenmalige politiecommissaris Michel Cuvelier  heeft bij mij op ACEC gewerkt in de kleine draaierij. Als er gestaakt werd, kwam de politie en ik zei dan dat wij voor de rust zouden zorgen. Ik ben niet voor geweld. Acties en betogingen moeten waardig gevoerd worden. Vuilbakken omgooien en eieren, gooien daar was ik altijd tegen. Je krijgt een hoop kritiek van de mensen die met de hele zaak niets te maken hebben, maar er wel het slachtoffer van zijn. We hebben eigenlijk nooit grote problemen gehad. Bij de bezetting hebben we er ook altijd voor gezorgd dat er geen anarchie kwam in het bedrijf. Alle giften werden geïnventariseerd en verdeeld onder de mensen. Alcohol kregen we wel maar was uit den boze. En iemand die over de schreef ging, werd buiten gezet.

Wat zijn jullie ervaringen met de metaalvorming?

Robert: Ik heb alle mogelijkheden die ik kreeg van vorming of scholing die het ABVV of de metaal aanboden, aangenomen. Dat was al begonnen in de jaren ‘60 met de schriftelijke cursus. Je huiswerk verscheen in De Werker. Je moest dat invullen en opsturen. We gingen ook naar de vorming op zondagvoormiddag, want zaterdag moest je nog werken. Later is dan Melreux opgestart waar ik een van de eerste leerlingen was. Ik werd groepsverantwoordelijke en later lesgever.

Melreux

Reimond: Ik ging ook in het weekend, net zoals Robert, vorming volgen in de kaderschool hier in Gent. Dat was altijd op vrijwillige basis op zondagmorgen,  zonder educatief verlof. Daar ben ik nadien ook begeleider geworden. In de kaderschool werd les gegeven over een aantal thema’s zoals veiligheid, ondernemingsraad, syndicale delegatie. Er werden daar oefeningen gemaakt over hoe organiseer je alles bij een eventuele actie of staking, hoe maak je een pamflet, enz…

Daarna volgde Melreux. Die vorming was de grote doorbraak. Die verbondenheid met de andere kameraden, daar zat solidariteit en strijd in de groep. Dat valt moeilijk te beschrijven. Je zat daar een week opgesloten. Ik herinner me dat er daar één telefoon hing en als je met de trein aankwam zondagavond stond je in de rij te wachten om te bellen. Daar kreeg ik ook een opleiding als groepsbegeleider en dat heb ik dan ook een aantal jaren met hart en ziel kunnen doen.

Daar ontstonden echt vriendschappen voor het leven. Je hart doet zeer als je hoort dat er mensen uit die tijd overleden zijn die toen bij jou in die vorming zaten.

Reimond, jij staat bekend als de strijdliederenspecialist. Hoe zit dat?                     

Reimond: Daarvoor ben ik Mong Rosseel heel dankbaar. Er was eens een grote manifestatie hier in Gent op het St.Pietersplein en Mong was liedjesteksten aan het uitdelen. En als ik dan naar die teksten keek , vond ik de maatschappijkritische inhoud zo goed. Zoals Het apenkot. Je moet niet alleen de eerste strofe, maar de ganse tekst eens goed bekijken. Ongelofelijk hoe het echte arbeidersleven beschreven werd.

Op een actie in Bell vroeg ik hem eens om aan de fabriek wat muziek te brengen. ’s Anderendaags had hij een tent opgezet en kwam daar met vijf man spelen zonder er iets voor te vragen. Maar ook door die muziek is er wat te beleven. Mensen doen meezingen is belangrijk, want anders krijgen de acties een  begrafenissfeer.

De strijdliederen van vroeger moeten meer terugkomen. De inhoud over de miserie van vroeger is soms zo herkenbaar. Ik zet me daar nog altijd voor in samen met Luc van Buynder om die niet verloren laten te gaan. De fascinatie voor die strijdliederen heb ik waarschijnlijk van mijn moeder. Zij zong altijd. Liedjes die de miserie van de streek beschreven. Ik voelde me daartoe aangetrokken en als ik dan later Mong hoorde zingen dacht ik dat ik op bestaande melodieën teksten kon maken over de problemen op dat moment in een fabriek. Er waren zovele voorbeelden van protestliederen in iedere provincie.  De teksten werden dan uitgedeeld aan de mensen en iedereen zong mee.

Ere aan wie ere toekomt, meestal zijn vrouwen ook veel enthousiaster als het op zingen aankomt, heb ik toch ervaren. Mannen, werk aan de winkel…?! We gebruikten zowel historische strijdliederen als zelfgemaakte. Walter De Buck, die onlangs overleden is, gebruikte ook teksten van Karel Waeri, een 19e-eeuwse volkszanger, die zeer mooi waren. Ik vind het soms zo zielig als er soms geen leven in een betoging of manifestatie zit. Muziek verbindt mensen, zeker in moeilijke tijden! Laten we dit vooral niet vergeten.

Wat vinden jullie van het syndicale militantisme van vandaag?

Robert: Wat ik momenteel zeer positief vind, is dat er een zeer goede vorming is bij de vakbond. De organen worden heel goed opgevolgd, zowel ondernemingsraad, comité als syndicale delegatie. Vooral voor de mensen die een mandaat hebben. Wij zijn ermee opgestart en alles evolueert, je leert voortdurend bij en doet gaandeweg ervaring op.

ReimondenmilitantenDe vakbond zou ook meer in de scholen moeten kunnen uitleggen bij de laatstejaars waarom ze bestaan en wat ze deden en nog steeds doen en waarom.

Reimond: Wat ik ook heel positief vind, is dat mensen die vroeger actief waren bij de militantenwerking, na de sluiting van hun bedrijf toch nog een verantwoordelijke taak opnemen in het actieve syndicale leven. Daaraan zie je hoe gedreven die militanten blijven. Daarom vind ik dat als je militant of delegee wordt, je dit enkel kan doen uit volle overtuiging. Je moet dat echt met hart en ziel doen. Het stopt soms niet meer, je moet zorgen dat je het hoofd erbij houdt en je evenwicht bewaart. Eens heb ik ook beseft dat ik mijn leven een beetje moest opsplitsen tussen vakbond en privéleven. Maar als je gedreven bent, is dat niet makkelijk. Solidariteit was vroeger veel groter dan nu, bij de bedrijven onderling en zelfs sectoroverschrijdend.

Robert: In de jaren ‘50 was Carels het signaal. Als er problemen waren in de metaalsector en Carels staakte, dan volgden Vynckier en de rest automatisch.

Reimond: Dat was ook een beetje het gevolg van de vorming in Melreux. De verbondenheid was zo groot tussen de mensen van verschillende bedrijven dat ze elkaar gingen steunen als ze merkten als er ergens iets scheelde. Je moet nu zeker nog profiteren van de mensen die de vakbondsgeschiedenis kennen net na de oorlog. Want zij hebben een schat aan ervaring. Je leert heel veel van anderen. Ik trek de senioren nog wat aan maar ga nu ook langzaam afbouwen want er zijn vele jongere mensen nu die ook gemotiveerd zijn  en de zaken mogen overnemen. Robert gaat ook wat minderen maar kan net zoals ik moeilijk afscheid van het syndicale leven nemen. 

En het mag gerust gezegd worden dat Robert HET voorbeeld is van de syndicalist van de Metaal. Met zijn 87 jaar! Hij heeft een geheugen om u tegen te zeggen, hij doet zovele dingen spontaan, je vraagt iets en Robert doet dat. Zulke mensen vinden je niet alle tien jaar.

 

Interview door Peter Hulsmans - februari 2015

 

Nog enkele foto's:

RobertaandraaibankbijCarelsIMG 5498GustWallaertIMG 5503IMG 5499ReimondenRobert