Vandaag is er veel te doen rond de zogenaamde ‘vierde industriële revolutie’. De term verwijst naar het proces van voortschrijdende digitalisering, robotisering en verduurzaming van onze economie. Zoals dat gaat bij grote maatschappelijke omwentelingen zorgt dit voor moeilijkheden en onzekerheden, maar ook voor opportuniteiten en kansen.

Willen onze metaalbedrijven de vruchten plukken van deze ontwikkelingen (in plaats van deze te ondergaan), dan moeten zij volop inzetten op technologische én sociale innovatie. Enkel op deze manier kunnen zij de hedendaagse uitdagingen op een coherente en rechtvaardige manier aanpakken.

Concreet betekent dit dat er moet worden nagedacht over nieuwe businessmodellen, gedigitaliseerde productieprocessen en een duurzaam gebruik van energie en materialen (technologische innovatie). Daarnaast moet er ook aandacht zijn voor de manier waarop gewerkt wordt: werkbaar werk, betrokkenheid en autonomie van de werknemer zijn hier sleutelbegrippen (sociale innovatie). Alleen zo kunnen onze bedrijven echte ‘Factories of the Future’ worden: innovatieve en toekomstgerichte bedrijven met een hoge toegevoegde waarde én een mensgerichte aanpak.

Klinkt goed, maar wat betekent het in de praktijk? Om deze vraag te beantwoorden trekken we naar metaalbedrijf Niko in Sint-Niklaas. Deze onderneming, gespecialiseerd in schakelmateriaal en lichtsturing, zet volop in op sociale en technologische innovatie. Sinds vorig jaar werden op Niko dan ook zelfsturende teams ingevoerd. Voorlopig bestaan die slechts in enkele afdelingen (er zijn vier zelfsturende teams van ongeveer 12 werknemers), maar het is wel de bedoeling om die uiteindelijk in heel het bedrijf in te voeren. Ze wil binnen afzienbare tijd een echte ‘factory of the future’ worden. In een moderne vergaderzaal ontmoetten we onze afgevaardigden: Sandra Mens (lid CPBW en SA), Athena Baert (plaatsvervanger SA) en Lindsey Van Duyse (plaatsvervanger OR en SA). Ook gewestelijk secretaris (regio Waas en Dender) Frank Van Dorsselaerzit mee aan tafel.

Dag dames! Dag Frank. Het eerste wat we uiteraard willen weten is: wat betekent het precies om te werken in een zelfsturend team?

Sandra: “Dat wil zeggen dat wij als team verantwoordelijk zijn voor het behalen van de productiedoelstellingen. Wij krijgen een planning en het team bepaalt zelf op welke manier we deze doelstellingen bereiken.”

Lindsey: “Concreet kunnen we zelf bepalen wie wat doet, hoe we het doen en wanneer we het doen. Op dat vlak krijgen we dus meer autonomie. Elk team heeft ook een coach die alles een beetje in goede banen moet leiden.”

Frank: “In 2015 is NIKO hiermee gestart. En het kadert in een ruimer verhaal: dat van de vierde industriële revolutie en de noodzaak om hierop te anticiperen. Niko wil innovatiever en competitiever worden. Het bedrijf wil binnen enkele jaren haar omzet enorm verhogen. De zelfsturende teams staan in het teken hiervan.”

En hoe ervaren jullie dat? Werkt dat goed?

Sandra: “Over het algemeen ervaren wij dat vrij positief. Je hebt meer vrijheid en meer afwisseling. Ons werk wordt hierdoor een stuk minder repetitief. Maar dat wil niet zeggen dat er geen problemen zijn. In de praktijk is het vaak zo dat we nog steeds gewoon de planning moeten volgen. En als we dat niet doen, dan worden we op de vingers getikt. Zo ‘zelfsturend’ is dat allemaal niet.”

Athena: “De coaches van de zelfsturende teams zitten ook niet altijd op één lijn. Er zijn veel verschillen in de manier van aanpak. In sommige teams wordt de planning bijvoorbeeld wel door het team zelf opgemaakt, terwijl dat in andere teams niet gebeurt. Uiteindelijk zou dat allemaal beter moeten gestroomlijnd worden. Maar ok, we zijn hier ook nog maar sinds vorig jaar mee bezig. Het feit dat we verschillende taken kunnen uitvoeren vind ik dan weer heel positief.”

Op welke zaken letten jullie zoal, als vakbondsafgevaardigde, wanneer het gaat over zelfsturende teams?

Lindsey: “Voorlopig werk ik nog niet in een zelfsturend team, maar ik kan me voorstellen dat er wel enkele valkuilen zijn. Wat doe je bijvoorbeeld met mensen die trager werken, die een slechte dag hebben of die niet meekunnen? Enerzijds wordt het team daar in zijn geheel op afgerekend, wat niet echt fair is, anderzijds kan dat voor wrevel zorgen binnen de groep. Dat zijn zaken waar goed over moet worden nagedacht.”

Sandra: “Dat hebben wij in ons team inderdaad al meegemaakt. Maar voorlopig hebben we het altijd kunnen oplossen door elkaar te stimuleren en elkaar een beetje te helpen. Maar dat er op deze manier spanningen kunnen ontstaan, is wel duidelijk. Ook de verlofplanning kan soms moeilijk zijn. We moeten er als team uit geraken.”

Athena: “Als vakbond moeten we hier zeker over nadenken, zowel over de positieve als de negatieve aspecten. In de toekomst zouden we bijvoorbeeld onze uren flexibeler mogen opnemen, zolang het werk maar af is tegen vrijdag. Dat is goed, maar het moet wel allemaal goed geregeld worden. Ook de werkdruk is iets waar we goed op letten. Momenteel is heel druk. Dat is goed, maar het moet wel werkbaar blijven.”

Frank: “Het bedrijf investeert ook in opleiding voor de werknemers en de leidinggevenden: hoe moet je coachen? Hoe doe je aan conflictoplossing? Hoe werk je in een zelfsturend team? Als ABVV vinden wij dat uiteraard belangrijk.”

Worden jullie als vakbond betrokken bij heel dat proces?

Sandra: “In de syndicale afvaardiging wordt daar wel over gesproken, ja. Maar echte inspraak hebben wij niet gehad.”

Frank: “We worden betrokken, maar we zouden dat graag iets intenser zien. Als vakbond moeten we korter op de bal kunnen spelen. Het gevaar zit in het feit dat het lijkt alsof de vakbond overbodig wordt: alle problemen worden verondersteld om binnen het team te worden opgelost. Maar zo werkt het natuurlijk niet. Als mensen bijvoorbeeld persoonlijke problemen hebben (bv. op medisch vlak), dan moeten ze dat met gans het team bespreken. Dat is niet evident. Eigenlijk hoeft niemand dat te weten. We moeten vermijden dat dergelijke teams een soort van volkstribunaal worden.”

Uit bovenstaand gesprek blijkt duidelijk dat onze delegees een genuanceerde en uitgesproken visie hebben over zelfsturende teams. Het is evenwel vooral belangrijk dat de vakbonden actiever betrokken worden bij dit proces. Want zij vertegenwoordigen de werknemer en weten als geen ander wat er leeft op de vloer. Van hun expertise en ervaringen moet optimaal gebruik gemaakt worden. Enkel zo kan sociale innovatie ook duurzaam en rechtvaardig zijn!