De wet op de aanvullende pensioenen (de WAP) dateert van 2003. Deze wet maakte het mogelijk om op sectoraal vlak een aanvullend pensioenstelsel in te richten. In de metaalsectoren zijn er twee soorten pensioeninstellingen. In de metaalverwerking en monteerders is er een paritair beheerd pensioenfonds: het Pensioenfonds Metaal. In de andere sectoren is dat een verzekeringsmaatschappij: Sepia voor de garages, koetswerk, metaalhandel, terugwinning van metalen en edele metalen en Axa bij de elektriciens. 
Het aanvullend pensioen wordt gefinancierd door een vaste bijdrage van de werkgever op je loon. De hoogte wordt vastgelegd in een cao. De bijdragen worden opgespaard en voorzien van een gewaarborgd rendement tot op het moment dat je je aanvullend pensioen kunt opvragen. De WAP legde het gewaarborgd rendement vast op 3,25 % voor de werkgeversbijdrage en 3,75 % voor de eigen bijdrage.
Het is dit ‘gewaarborgd’ rendement dat momenteel ter discussie staat. Verzekeringsmaatschappijen klagen steen en been dat ze dat rendement niet kunnen realiseren en deze rechtse regering heeft natuurlijk oor voor deze klaagzang. Ze wil het gewaarborgd rendement vervangen en door een variabel rendement dat de markt volgt. Als dat gebeurt, wordt het individueel aanvullend pensioen met maar liefst 30 % beperkt, of een indexsprong gedurende twintig jaar. Gemiddeld komt dat netto neer op zo’n 1000 euro per jaar.
 
Volgens Credit Suisse was het jaarlijkse rendement in België gedurende de voorbije 15 jaar nochtans 3 % op aandelen en 5,9 % op obligaties en volgens de Nationale Bank steeg het totale financiële vermogen van de Belg sinds de crisis met gemiddeld 5,1 % per jaar. De vraag is dus waarom de gemiddelde Belgische verzekeraar niet kan wat de gemiddelde Belg wel kan? Een aanvullend pensioen is per definitie een langetermijnproject, maar als de wil van de verzekeraars wet wordt en de korte termijnbelangen het halen, dan kun je afvragen of het nog wel zin heeft om met een aanvullend pensioen (bij een verzekeringsmaatschappij) te starten. Je kunt dan beter je nettoloon verhogen en zelf sparen en beleggen.
 
In onze grootste sector (metaalverwerking) is het aanvullend pensioen geregeld door een cao van onbepaalde duur. Daar zitten we dus ‘safe’ met het gegarandeerd rendement. Al schuilt er een adder onder het gras. Het FSMA (controleorgaan financiële markten) legt de pensioenfondsen een dekkingsgraad (de mate waarin een fonds met zijn activa zijn kortetermijnverplichtingen kan nakomen) van 100 % op. Nu hebben we een dekkingsgraad van 113% (meer dan OK), maar als dat onder een bepaald niveau zou dalen kan de FSMA ons een herstelplan opleggen, waarbij we ons moeten conformeren aan nieuwe WAP-regels, die een lager minimumrendement zal voorzien. In de andere sectoren lopen contracten van bepaalde duur met verzekeringsmaatschappijen, dus daar zal de discussie vroeg of laat ook op het sectorale niveau terechtkomen. Al garanderen ze vandaag, zowel bij nieuwe als oude contracten, de facto al niet de 3,25 %. Het is de inrichter van het aanvullend pensioen (de werkgever of Fonds voor Bestaanszekerheid) die in dat geval verplicht moet bijpassen.
 
Deze regering verplicht ons niet alleen langer te werken, op het einde van de rit krijgen we dan nog minder ook. Eerst was er de pestmaatregel door de uitbetaling van het aanvullend pensioen kapitaal te koppelen aan de effectieve ingangsdatum van het vervroegd pensioen en nu snijdt men in het opgespaarde kapitaal zelf. In plaats van te kiezen voor het rendement van de (werkende) burgers kiest deze regering andermaal voor het rendement van het kapitaal in deze de verzekeraars en werkgevers.
 
Herwig Jorissen
Voozitter