Het is het schandaal van de 21e eeuw. Nooit waren we zo rijk. Nooit waren we zo arm. Mocht de rijkdom gelijk verdeeld zijn, dat had een gemiddeld gezin met twee volwassenen en drie kinderen wereldwijd een beschikbaar inkomen van 2.870 euro per maand en een gezinsvermogen (spaargeld, waarde van een eigen huis, enz.) van 125.000 euro. Alleen dat hebben ze niet.

Ook in België is de kloof tussen rijk en arm nog nooit zo groot geweest en neemt ze bovendien nog toe. De laatste twintig jaar daalden de inkomsten van de 30 % armsten met 10 %, terwijl dat rijkste procent hun inkomen zagen toenemen met 30 %. De voorbije 25 jaar is het inkomen in ons land sterk gestegen. Alleen trokken de 20 % rijkste huishoudens ruim de helft van de inkomensgroei naar zich toe. Uit een analyse van de fiscale aangiften vanaf 1973 tot 2011 door De Standaard blijkt dat in België vooral de toplonen weghollen van de rest. De rijkste 1 % Belgen rijft zo'n 7,5 % van de totale inkomsten binnen, ruim een derde meer dan een kwarteeuw geleden.

Anderzijds (of bovendien) is de kans op mobiliteit tussen sociale klassen kleiner dan ooit. Kinderen van ouders met een diploma hoger onderwijs hebben tot vier keer meer kans om zelf een diploma hoger onderwijs te behalen dan kinderen van laagopgeleide ouders. Dat blijkt uit cijfers van de dienst statistieken van de FOD Economie die het studietraject van 340.000 jongeren in kaart bracht tussen 2001 en 2011. Levenslang leren is voor sommigen vooral levenslang achteraan hollen. Ook de stijgende kinderarmoede is in het algemeen een teken van lage sociale mobiliteit. Kinderen die in armoede opgroeien, hebben later zelf een grote kans om arme ouders te worden. Als die groep groeit, betekent dat dat er meer mensen 'vastzitten' aan de onderkant van de inkomensverdeling en van de arbeidsmarkt. Uit een internationale vergelijking bleek bovendien dat, wat het doorgeven van eenvoudige jobs van generatie op generatie betreft, België een koploper was in Europa.

De klassenmaatschappij lijkt wel terug van nooit weggeweest. En de rechtse regering-Michel zal deze tendens alleen maar versterken: kappen in sociale uitkeringen, afbouw publieke diensten, duurder onderwijs, aantasten van de koopkracht (indexsprong)...

Sterke vakbonden en sterke cao's kunnen een dam zijn tegen groeiende ongelijkheid. Of het is in ieder geval zo dat waar sterke vakbonden en goede cao's ontbreken, de ongelijkheid nog sneller toeneemt. Maar ook dat wil deze regering breken. Om te beginnen door een onderhandelingskader te creëren dat er geen was. De marge was bijna nihil en de patroons wisten, met een VOKA-regering achter de hand, dat ze toch altijd aan het langste eind zouden trekken.

In onze grootste sector ligt er een ontwerpakkoord ter tafel. We hebben o.a. de koopkracht maximaal ingevuld (in centen en niet in procenten), het aanvullend pensioen nogmaals versterkt en de patroons zo ver gekregen dat ze willen werken aan een sectoraal kader werkbaar werk. En dat laatste is dringend nodig. Want blijkbaar wil de regering-Michel ook hier een loonkostdebat van maken. Tenminste als we Open VLD-kamerlid Egbert Lachaert in de Zevende Dag mogen geloven: "Werkbaar werk? Ouderen verdienen te veel." Hoe minder je voor werk moet betalen, hoe werkbaarder het is. Voor de patroon. Zo moet de redenering ongeveer zijn.

Van niets iets maken: dat was de opdracht. Niet meer, niet minder. De beraadslaging is bezig en de Syndicale Raad van 26 juni zal oordelen of we daarin geslaagd zijn. Het is altijd de taak van de vakbond geweest om van niets iets te maken. Van ongelijkheid (meer) gelijkheid.

Herwig Jorissen
Voorzitter