Het vereiste minimumaantal voltijdse dagen voor de berekening van een gewaarborgd minimumpensioen voor werknemers wordt voortaan vastgepind op 52 vanaf het 31ste loopbaanjaar. Het gaat om een uitvoering van het regeerakkoord.

Minimumpensioen

Werknemers die niet voldoen aan de vereiste loopbaanvoorwaarde kunnen dankzij een KB van 28 september 2006 toch aanspraak maken op een proportioneel minimumpensioen. De invulling van 2/3 van een volledige loopbaan is versoepeld, wat van belang is voor wie deeltijds heeft gewerkt.

Dit KB op het gewaarborgd minimumpensioen van de sociale sector werd onlangs bijgestuurd. Een wijzigings-KB van 18 maart 2014 zorgt er vanaf 1 januari 2015 voor dat de vaststelling van het aantal jaren dat nodig is voor de 2/3–vereiste gebeurt vóór de toepassing van het beginsel van de beperking tot de eenheid van loopbaan.

Het beginsel van de beperking tot de eenheid van loopbaan houdt in dat het totaal van de breuken die de belangrijkheid van de verschillende pensioenen uitdrukken, de eenheid niet mag overschrijden.

52 voltijdse dagen

Die manier van rekenen wordt nu bevestigd. Ook het aantal kalenderjaren dat elk minimum 208 voltijdse dagequivalenten (het zogenaamd 'strikt criterium') omvat voor de 2/3–vereiste, wordt vastgesteld vóór de toepassing van de eenheid van loopbaan.

Een ander wijzigings-KB (van 9 december 2014), dat ook op 1 januari 2015 in werking treedt, voegt daar aan toe dat het gewaarborgd minimumpensioen - volgens het strikt criterium vastgesteld - voortaan enkel wordt toegekend voor de kalenderjaren in de pensioenberekening die elk minstens 52 voltijdse dagequivalenten omvatten.

De sociale partners waren het in 2013 al eens over deze maatregel. De loopbaanvoorwaarde voor het minimumpensioen voor werknemers volgens het strikt criterium is 30 jaar van minstens 208 voltijdse dagen. Voor wie aan die voorwaarde voldoet, wordt het minimumpensioen berekend aan de hand van de loopbaanbreuk, zoals bijvoorbeeld 40/45 van het minimumpensioen voor wie 40 loopbaanjaren bewijst.

Vanaf het 31e loopbaanjaar is een minimum van 52 voltijdse dagen nodig om in aanmerking te komen voor 1/45ste van het minimumpensioen voor werknemers, in plaats van één enkele dag. Zo staat het ook in het regeerakkoord.

Aanpassingen

Bij de aanpassingen van de basistekst maakt men een onderscheid tussen de berekening van het gewaarborgd minimumpensioen van een rustpensioen of van een overlevingspensioen op basis van een loopbaan als werknemer enerzijds en op basis van de som van de loopbaanjaren als zelfstandige en als werknemer anderzijds.

Men hanteert telkens dezelfde werkwijze. Het basisbedrag van het gewaarborgd minimumpensioen wordt vermenigvuldigd met de breuk van het toegekende pensioen als werknemer, na de beperking tot de eenheid van loopbaan. Maar voortaan zal de teller van deze breuk dus beperkt zijn tot de kalenderjaren van de loopbaan als werknemer met ten minste 52 voltijdse dagequivalenten, zonder dat deze teller de noemer kan overschrijden.

In werking

Deze aanpassingen treden in werking op 1 januari 2015, maar de opheffingsbepalingen treden al in werking op 31 december 2014. De nieuwe regels zijn van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2015.

Bronnen

Koninklijk besluit van 9 december 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector, BS 19 december 2014

Extra informatie

Koninklijk besluit van 18 maart 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 september 2006 tot uitvoering van de artikelen 33, 33bis, 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake pensioenen van de sociale sector, BS 28 maart 2014

www.socialeye.be
Nieuws - 31/12/2014
Auteur: Steven Bellemans