De winter komt eraan en de temperaturen dalen. Ook op de arbeidsplaats kan het koud worden. Welke maatregelen moet de werkgever dan nemen? Of de werkgever maatregelen moet nemen, hangt af van het uit te voeren werk. Hoe lichter het werk, hoe eerder de werkgever maatregelen zal moeten nemen.

Zeer licht tot zeer zwaar werk. Bij zeer licht werk ligt de grens op 18°C, bij licht werk op 16°C, bij halfzwaar werk op de 14°C, bij zwaar werk op de 12°C en bij zeer zwaar werk op de 10°C. De temperatuur wordt gemeten met een ‘droge’ thermometer die meestal een hogere temperatuur aanduidt dan een gewone thermometer.

Ingrijpen. Wordt de minimumtemperatuur niet bereikt, moet de werkgever maatregelen nemen. Passende preventiemaatregelen kunnen bijvoorbeeld zijn: het voorzien van verwarming, het aanbieden van aangepaste kledij, het aanpassen van de werkmethodes om de werkbelasting te verminderen, het beperken van de blootstelling aan koude of het ter beschikking stellen van warme dranken. De maatregelen worden bepaald op basis van een risicoanalyse die elke werkgever moet laten uitvoeren. De preventieadviseur en het CPBW, of bij ontstentenis, de vakbondsafvaardiging of de werknemers worden daarbij betrokken.

Buitenwerk. Voor het werk in open werklokalen of in open lucht gelden geen minimumtemperaturen. Wel moeten tussen 1 november en 1 maart voldoende verwarmingstoestellen worden geplaatst. Deze toestellen moeten effectief worden gebruikt wanneer het kouder wordt dan 5°C of de weersomstandigheden het vereisen.