de voorzitter

De Voorzitter gaat de dialoog aan. Het gedacht van Georges De Batselier.

 

In gesprek met ... Herwig Jorissen.

De wet op de aanvullende pensioenen (WAP) dateert van 2003. Door deze wet kon op sectoraal vlak een aanvullend pensioenstelstel ingericht worden. In de metaalsectoren hebben we daar ook onmiddellijk werk van gemaakt.

Aanvullend pensioen in de metaalsectoren

De organisatie van een aanvullend pensioen steunt op twee pijlers: de inrichter en de pensioeninstelling. De inrichter is de initiatiefnemer maar tegelijk ook de eindverantwoordelijke. De pensioeninstelling beheert (belegt) de inleg en zorgt ervoor dat elke deelnemer krijgt waar hij recht op heeft. In de metaalsectoren zijn er 2 soorten pensioeninstellingen:

Voor de sectoren metaalverwerking en monteerders (PC 111) gebeurt dat door een paritair beheerd pensioenfonds, het Pensioenfonds Metaal (www.pfondsmet.be). Voor de andere sectoren is de pensioeninstelling een verzekeringsmaatschappij. In de sectoren van de garages, het koetswerk, de metaalhandel, de terugwinning van metalen en de edele metalen is dat Sepia (samenwerking tussen Belfius en KBC Verzekeringen) (www.sefocam.be). Voor de elektriciens is het Axa (www.fbz-fse-elec.be).

Gewaarborgd rendement wat is dat?

Het aanvullend pensioen wordt gefinancierd door een vaste bijdrage van de werkgever op het loon. De hoogte van deze bijdrage wordt om de twee jaar onderhandeld en vastgelegd in een sectorale cao. Deze bijdragen worden opgespaard en voorzien van een gewaarborgd rendement tot het moment dat de werknemers het aanvullend pensioen opvragen. De WAP legde het gewaarborgd rendement vast op 3,25 % voor de werkgeversbijdrage.

Is er een probleem misschien?

Een paar weken geleden begon de verzekeringssector, met Assuralia op kop, ineens moord en brand te schreeuwen. Het gewaarborgd rendement van 3,25 % was, volgens hen, niet langer meer houdbaar. Als je dat rendement vergelijkt met wat een bank biedt voor een spaarrekening, dan is dat ook zeer hoog. Ook obligaties (schuldbewijs voor een lening door een overheid of een onderneming) scoren historisch laag. Enkel aandelen geven momenteel een goed rendement. Maar aandelen zijn natuurlijk zeer risicovol.

Verzekeringsmaatschappijen beleggen hun middelen bijna uitsluitend in obligaties. Momenteel hebben ze het daardoor moeilijk om het minimumrendement van 3,25 % te halen. Alleen garanderen vandaag de verzekeringsmaatschappijen, zowel bij nieuwe als oude contracten, de facto al niet meer deze 3,25 %. Het is de inrichter van het aanvullend pensioen (werkgever of Fonds voor Bestaanszekerheid) die in dat geval verplicht moet bijpassen.

Klagen als het slecht gaat, cashen als het goed gaat

Het geklaag van Assuralia is daarenboven zeer hypocriet. Al was het maar omdat toen de rendementen ver boven 3,25 % uitstegen, niemand Assuralia gehoord heeft om het gewaarborgd rendement op te trekken. De laatste 30 jaar haalden de verzekeringsmaatschappijen een gemiddeld rendement van 7 procent. Maar nu het slechter gaat moet ineens het gewaarborgd rendement zakken van 3,25 % naar 0,4 %. En hoe asocialer de voorstellen, hoe groter de bereidheid van deze regering om ernaar te luisteren.

Hoe zit het nu in de metaalsectoren?

In het Pensioenfonds Metaal wordt de 3,25 % gewaarborgd en ook ruim gehaald. De middelen van het Pensioenfonds Metaal zijn divers belegd. In obligaties, maar ook in aandelen. Bij de aanverwante sectoren wordt het rendement van 3,25 % gegarandeerd door Sepia. Bij de elektriciens was er een gewaarborgd rendement van 3,35 %. Voor de bijdrageverhoging van 0,1 % van het akkoord 2013-2014 wilde Axa dit rendement al niet meer garanderen. Het Fonds voor Bestaanszekerheid van de elektriciens heeft dit dan gedaan. Als je weet dat Axa in 2014 een nettowinst van 5,02 miljard euro boekte, hetzij 12 % meer dan in 2013, dan plaatst dit de discussie omtrent het gewaarborgd rendement een beetje in een ander perspectief natuurlijk.

Meer dan een appel voor de dorst

De werknemers van de privésector hebben een gemiddeld wettelijk pensioen van amper 1.000 euro per maand. In Europees perspectief hebben de Belgische werknemers uit de privé een laag pensioen. In België zijn er dan ook meer arme gepensioneerden dan in de rest van Europa. Een aanvullend pensioen is niet zomaar een appeltje voor de dorst. Het is een appeltje dat moet beletten dat werknemers in de armoede terecht komen. Het aanvullend pensioen is per definitie een langetermijnproject. Als het gegarandeerd rendement ongeveer gelijk is aan de opbrengst van een spaarboekje, dan kun je je afvragen of het nog zin heeft om met een aanvullend pensioen te starten, althans bij een verzekeringsmaatschappij. Dan vragen we gewoon om het nettoloon verhogen en we zullendan wel zelf sparen. Daarom staat de rendementsgarantie van 3,25 % niet ter discussie in onze sectoren. En dat zullen we proberen ook zo te houden. Hoe asocialer de regering-Michel I, hoe socialer wij moeten zijn.

Herwig Jorissen
Voorzitter ABVV-Metaal