de voorzitter

De Voorzitter gaat de dialoog aan. Het gedacht van Georges De Batselier.

 

De schoolvakanties zijn (bijna) voorbij en voor duizenden leerlingen breekt het moment weer aan om terug naar school te gaan, om hun opleidingen af te maken, te beginnen,… Heel wat werknemers die hetzelfde van plan waren vanaf september zullen het moeilijker hebben. De regering heeft zware besparingen aangekondigd in het stelsel van het Betaald Educatief Verlof: het recht om met behoud van loon afwezig te zijn op het werk om je bij te vormen of bij te scholen. De vakbonden hebben hierop al sterk gereageerd. Iedereen beweert dat in een geglobaliseerde economie kennis en goed geschoolde werknemers onze belangrijkste troeven zijn. Besparen op een stelsel dat een actieve promotie is voor het permanent leren is bijgevolg economisch contraproductief. Zo’n besparing staat ook haaks op de Europese, federale en regionale doelstellingen om de deelname van volwassenen aan onderwijs en opleiding te verhogen. De problemen zijn niet nieuw, ze bestaan al van bij de omvorming van het stelsel van de kredieturen naar het stelsel van het BEV. Door de verdubbeling van het aantal gebruikers kwam de financiering van het BEV al snel in de problemen. In de jaren 90 werden daarom verschillende maatregelen genomen. Er werd een lijst opgemaakt van opleidingen die geen beroepsdoeleind en dienden en dus niet meer in aanmerking kwamen voor BEV en in 1995 werd de duur van het BEV zelfs gehalveerd.

Eén van de ‘zogezegde’ problemen zou de groei van de sectorale opleidingen zijn. De bedrijven van het PC 111 (Agoria) zijn met meer dan 35% van de gebruikers duidelijk de grootste klant van het BEV. “Probleem” is natuurlijk een zeer relatief begrip. De hoge cijfers betekenen ook dat onze arbeiders (weliswaar vooral in de middelgrote en grote ondernemingen, maar dat is een andere discussie) permanent worden bijgeschoold wat hun job betreft. Bovendien heeft het BEV de afgelopen decennia misschien geen doorslaggevende maar toch ook geen onbelangrijke rol gespeeld in de vrijwaring van de concurrentiepositie van heel wat van onze bedrijven.

Het is zinloos en gevaarlijk om zoals in de jaren negentig een discussie te voeren over welke opleidingen in aanmerking kunnen komen voor BEV en welk niet: de één zal misschien vinden dat een automobielarbeider die een opleiding tot drukker volgt niets is voor het BEV, Verhofstadt zal opnieuw zeggen dat het BEV zich moet richten op knelpuntberoepen, sommige zullen de sectorale opleidingen in vraag stellen en andere zullen zich afvragen waarom syndicale opleidingen in aanmerking komen,….

Terwijl de echte discussie moet gaan over de financiering van het stelsel. En dan moet je niet diegene sanctioneren die wel aan opleiding doen, maar deze die het niet doen. In het interprofessioneel akkoord van ‘99 engageerden de sociale partners zich om op zes jaar tijd de vormingsinspanningen op te trekken tot 1,9% van de loonkosten. Misschien kunnen we de sectoren die onder deze opleidingsnorm blijven een extra financiële inspanning opleggen recht evenredig met het procent dat ze te kort schieten.

In de meeste gevallen krijgen bedienden nog altijd meer opleiding dan arbeiders. Omdat te veel patroons opleiding voor arbeiders nog altijd niet als een investering voor het bedrijf zien. Het BEV zet deze scheve situatie een klein beetje recht, al is het maar via de sectorale opleidingen. Het is niet toevallig dat zestig procent van de gebruikers van het BEV arbeiders zijn en een groot deel metaalarbeiders. Daarom zijn de genomen maatregelen dubbel onrechtvaardig voor ons. Daarom mag er niet geraakt worden aan de uren en de opleiding, van welke aard dan ook. Het is de financiering die aangepakt moet worden en dan moet iedereen zowel de bedrijven als de overheid zijn verantwoordelijkheid opnemen: mooie woorden over permanent leren volstaan niet!

Herwig Jorissen
Voorzitter