de voorzitter

De Voorzitter gaat de dialoog aan. Het gedacht van Georges De Batselier.

 

Op het moment dat wij dit edito schrijven, vertrekt een delegatie van de Vlaamse regering naar Detroit om er met de top van GM en Ford te praten over de toekomst van Opel Antwerpen, maar ook van Ford in Genk en Volvo in Gent. Met andere woorden: ze zijn daar om te  praten over de toekomst van de Vlaamse automobielindustrie.

Door de economische crisis en de dramatische situatie bij Opel Antwerpen zijn vele discussies in een stroomversnelling terechtgekomen. Zo wordt de vraag gesteld: wat moet de overheid doen? Het is niet de vraag of de overheid iets moet doen - daarover bestaat ondertussen een consensus bij alle democratische partijen - maar wel: moet of kan de overheid financieel participeren om Opel te redden?

Het voordeel van economen en professoren is dat ze zo'n vragen kunnen beantwoorden zonder verantwoordelijk te zijn voor de gevolgen. Dan is het makkelijk om te zeggen dat de één zijn dood de andere zijn brood is door de overcapaciteit in de automobiel, dat het niet erg is dat GM op de fles gaat, aangezien Ford of Volvo daardoor meer auto's zullen verkopen. Theoretisch gezien kan dat misschien wel kloppen, maar de tienduizend gezinnen die leven van hun baan bij Opel kopen er geen eten mee. Om nog maar te zwijgen van de tewerkstelling.

Ook wij zijn ervan overtuigd dat het niet de eerste taak is van de overheid om geld te pompen in noodlijdende bedrijven, maar wel om de voorwaarden te creëren waarin de industrie in het algemeen en de automobielindustrie in het bijzonder kunnen gedijen. Ze moet dat doen, omdat onze welvaart ervan afhangt. Vier op tien Vlamingen werkt rechtstreeks of onrechtstreeks dankzij de industrie. Onze sociale zekerheid wordt in grote mate gefinancierd dankzij de industrie. Voor elke job die verdwijnt in de industrie zijn er twee jobs nodig uit andere sectoren om onze sociale zekerheid te kunnen blijven financieren. Daarom moet de overheid zorg dragen voor de industrie en voor de automobiel in het bijzonder. De automobiel is immers het hart van onze industrie.  Om dat te verwezenlijken, moet er worden gewerkt op lange termijn. Samen met de diverse overheden hebben we dat in het verleden gedaan en goed gedaan.

Vandaag worden we echter geconfronteerd met een economische crisis als nooit tevoren en in Antwerpen loopt veel meer dan enkel de tewerkstelling van een vestiging en haar toeleveranciers gevaar. Wij zijn altijd een land van autobouwers geweest. We moeten duidelijk maken dat we dat land van autobouwers willen blijven. Het gaat niet alleen om Opel, het gaat om een ganse sector. Als wij, zoals de Europese vakbonden van Opel, vragen dat de overheid participeert in een Europese poot, dan vragen we niet dat ze in eender wat zouden participeren. Natuurlijk moet er eerst een realistisch businessmodel voor zo'n Europese tak worden uitgewerkt. We realiseren ons maar al te goed dat, als het geld in een bodemloze put terechtkomt, diezelfde overheid vroeg of laat toch weer aan onze deur staat om ons de rekening voor te schotelen onder het mom van nieuwe lasten of besparingen.

Daarom zijn we tevreden met de missie waarmee de Vlaamse regering naar Detroit is getrokken. Ze zetten in op een Europese strategie (de enige strategie om de wereldconcurrentie het hoofd te bieden). Ze zetten in op de wagens van de toekomst - de eco-auto. Ze nemen in dat kader hun verantwoordelijkheid als overheid. Iedereen weet dat dit niet enkel een verhaal van rozengeur en maneschijn zal zijn. Zelfs als we de Kaap kunnen halen, zullen er evenzeer moeilijke momenten volgen. Dan zullen we anderzijds wel een perspectief voor de toekomst hebben voor Opel en voor onze automobielsector.

Al onze autofabrieken behoren tot de meest competitieve ondernemingen van hun groep. Als we kijken naar onze auto-, truck- en autobusfabrieken en hun toeleveranciers, dan lijkt het meer dan dringend dat de overheid, nog meer dan voorheen, inzet op de automotive sector. We willen immers dat land van autobouwers blijven. We willen onze industrie behouden. Het lijkt alsof de Vlaamse regering dat alvast heeft begrepen.

Herwig Jorissen
Voorzitter