de voorzitter

De Voorzitter gaat de dialoog aan. Het gedacht van Herwig Jorissen.

 

Vorige week  publiceerde Econopolis, de denktank van econoom Geert Noels, in samenwerking met de ondernemersorganisaties Unizo en VKW een studie over de dramatische situatie van de Belgische industrie. De voorbije veertig jaar, zo blijkt,  is de industriële activiteit in België in een recordtempo gedaald (min 17 procent). Van alle OESO-landen doet alleen het Verenigd Koninkrijk het slechter. Bovendien hebben we de helft van onze industriële tewerkstelling verloren. In de Verenigde Staten, een land dat bekend is voor zijn forse ‘desindustrialisering’, bedraagt dat verlies slechts 20 procent. We zijn, met andere woorden, een industriële dwerg geworden. Een klein lichtpunt is misschien dat in dezelfde periode onze industriële productie wel nog met 65 procent is gestegen.

Elke industriële job levert ook een veelvoud aan directe werkgelegenheid op. In de studie wordt onderstreept dat ‘maakbedrijven’ evenveel mensen aan het werk zetten als de distributie en aan bijna vier keer zoveel als de horeca. Drie vierde van onderzoek en ontwikkeling gebeurt door de industrie. Geen enkele andere sector levert zulk een bijdrage aan het Belgische bruto binnenlands product (BBP) als de productiebedrijven in bijvoorbeeld de chemie-, farma-, informatica- en machinebouwsector. De dienstensector kan maar 66 procent van de toegevoegde waarde creëren die de industrie maakt.

‘Landen die hun industriële basis geleidelijk zijn kwijtgeraakt, zoals de VS en het VK, presteren economisch slechter. Ze missen export, wat hun handels- en financiële balans verzwakt. Daardoor vermindert ook hun economische draagkracht, wat grote sociale gevolgen heeft’, aldus Geert Noels. Hoe breder de economische basis, hoe meer een overheid kan uitgeven. In landen met een krimpende economie zal op een bepaald moment ook de kwaliteit van het onderwijs en de gezondheidszorg achteruitgaan. Elke achteruitgang van de maaksectoren haalt de activiteitsgraad naar beneden, waardoor de lasten voor de actieve bevolking in de hoogte schieten. Om het plaatje af te ronden, zette een recente Deloitte-studie België op de laatste plaats van 26 OESO-landen volgens de aantrekkelijkheid voor maakactiviteiten in de komende vijf jaar.

Om onze welvaart in stand te houden moet de overheid dan ook dringend de
handicaps voor de industriële sector wegwerken, aldus de studie. ‘De industrie vormt de basis van de economische piramide, de basis van de welvaart. Zonder industrie dreigt verarming’, waarschuwt econoom Noels. ‘De crisis heeft aangetoond dat een land niet zonder industrie kan en dat dienstenjobs bijzonder kwetsbaar zijn.’

Zo hoort men het ook eens van een ander.

In oktober 2008, bij het begin van de financieel-economische crisis, eiste ABVV-Metaal een noodplan voor de industrie en voor de werknemers in de industrie. In het eerste edito van 2009 schreven we: ‘Wat vandaag nodig is, is een waakzaamheidcomité voor de industrie en ter bescherming van onze industrie en onze arbeiders. Want de industriële activiteiten zijn (rechtstreeks en onrechtstreeks) goed voor 40% van de welvaart van Vlaanderen. Als de industriële motor hapert, stokt de welvaart.’ Op ons eerste Statutair Congres op 11 en 12 juni 2009 lanceerden we onze  campagne ‘Investeer in de industrie’.

De komende weken wordt ook nog een advies verwacht van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en sectororganisaties als Agoria bereiden een eigen 'stappenplan' voor.

ABVV-Metaal heeft al op meerdere momenten de noodklok geluid en we zullen dat blijven doen. Het mag zeker na deze studie duidelijk zijn dat er geen tijd meer te verliezen is. Nu nog langer wachten met duurzame toekomstgerichte maatregelen brengt niet alleen onze huidige industrie verder in gevaar. Het is spelen met de welvaart van de volgende generaties.

Herwig Jorissen
Voorzitter