de voorzitter

De Voorzitter gaat de dialoog aan. Het gedacht van Georges De Batselier.

 

In de meeste van onze sectoren zijn inmiddels ontwerpakkoorden afgesloten en goedgekeurd. Enkel in de sector van elektriciens en de staal zijn de onderhandelingen nog lopende. Wie de verschillende akkoorden naast elkaar legt, zal onmiddellijk constateren dat de inhoud van de akkoorden in de meeste sectoren min of meer gelijk is. De oorzaak daarvan is de dwingende wettelijke loonnorm van 0,3 procent. Boven de 0,3 gaan, hield het gevaar in dat de CAO’s zouden kunnen gecontesteerd worden voor de rechtbank. Dus werd er in de verschillende sectoren meer ingezet op koopkrachtelementen die later zouden renderen (pensioenfonds) of andere extra’s (rimpeldagen, …).

Alleen lijkt het alsof de 0,3 procent voor alle werknemers gelijk is (en dan zwijgen we over de schandalige bonussen van de CEO’S), wat uiteraard niet klopt. De loonnorm beperkte de koopkracht tot 0,3 procent boven op de index én de baremieke verhogingen. Nu de index is er voor alle werknemers, maar de baremieke verhogingen zijn er voor één groep werknemers. Dus op een moment dat de koopkracht van de arbeiders echt beperkt wordt tot 0,3 procent, ligt deze van de bediende een heel pak hoger. Het is één zeer frappante discriminatie ingebouwd in de wet op de loonnorm van 1996, waar vandaag de arbeiders nogmaals de rekening van gepresenteerd krijgen. De arbeiders boeten er vandaag nog maar eens voor dat we nog steeds geen eenheidsstatuut hebben. Daarom hebben we dan ook actie gevoerd tegen het ontwerp van interprofessioneel akkoord. Wat op tafel lag, was te weinig, kwam te laat en er was geen zicht op één statuut. Achteraf hebben we ook uit onverwachte hoek gelijk gekregen. Advocaten van Field Fisher Waterhouse kwamen tot de conclusie dat de nieuwe wetgeving op de opzegtermijnen, die van kracht wordt op 1 januari 2012, nauwelijks iets verandert aan de grote ongelijkheid tussen de statuten van arbeiders en bedienden. Integendeel, de nieuwe spelregels zorgen voor nog meer ongerijmdheden. En ze twijfelen er dan ook aan of de aanpassingen aan de opzegtermijnen het Grondwettelijk Hof ervan zal overtuigen dat er echt werk wordt gemaakt met de afbouw van het verschil tussen arbeiders en bedienden.

Wij twijfelden er toen niet aan en nu nog minder. Ik weet dat het voor veel van onze militanten moeilijk was om te begrijpen waarom we dan niet meer voor het statuut gedaan hebben in de sectorale onderhandelingen. De arbeiders leveren al in op koopkracht door de wet op de loonnorm. Alles wat we zouden hebben willen regelen, hadden we moeten betalen met de magere 0,3 procent. We vonden niet dat we de arbeiders opnieuw de rekening moesten presenteren van hun discriminatie.

Maar de strijd om het werknemersstatuut gaat voort. Als er één sector is waar we in zulke dossiers het verschil kunnen maken, dan wel in de onze. Dat bewijzen we opnieuw op een ander terrein in deze CAO-onderhandelingen. In vele eisenbundels – binnen en buiten onze sectoren – stond de eis om te stoppen met dagcontracten voor uitzendkrachten. In onze sectoren is het niet bij een eis gebleven, maar is het een clausule geworden in de CAO’s. Vandaar dan ook dat Federgon zeer verveeld zit met de akkoorden die wij afsluiten in onze sectoren met betrekking tot de dagcontracten.

Herwig Jorissen
Voorzitter