de voorzitter

De Voorzitter gaat de dialoog aan. Het gedacht van Herwig Jorissen.

 

Vorige week kondigde ArcelorMittal aan dat na de warmwalserij ook zeven van de twaalf koude lijnen in het Luikse bekken dicht zouden gaan. 1300 werknemers staan op straat. Met een grenzeloos cynisme verkondigt dezelfde directie dat ze van de vijf overgebleven koude lijnen ‘parels van de industrie’ zal maken. Van welke industrie? Ons lijkt het veeleer dat ArcelorMittal met deze beslissing net de doodsteek dreigt te geven aan het Luikse staalbekken, aan de honderden families van werknemers, onderaannemers, handelaars,… van wie de broodwinning al jaren vastkleeft aan het staal.

Zo kregen we op een paar maanden tijd, zowel in Vlaanderen als in Wallonië, een zelfde drama te verwerken: het dramatisch verlies van zoveel tewerkstelling, jobs die verdwijnen en nooit meer terugkomen. Maar er is meer. In beide gevallen werden we geraakt in het hart van onze industrie: in Genk de automobiel, in Luik het staal. En dan krijg je al vlug dezelfde reacties. Enerzijds politici die hun verontwaardiging uiten en beloven in actie te schieten, het niet te pikken, een nieuw industrieel beleid te zullen uittekenen. Veel, zo niet alles, eindigt dan met een speciale commissie en één of ander ‘paper’. Anderzijds duiken de specialisten op die betogen dat het allemaal nergens toe dient, dat de industriële tewerkstelling onherroepelijk zal blijven dalen, dat we het mogen vergeten en dat de (zware) industrie, de maakindustrie uit ons land zal verdwijnen. Of dat we het kunnen vergeten wat de multinationals betreft, dat we ons moeten concentreren op KMO’s of op de dienstensector.

We hebben geen behoefte aan vals optimisme noch aan doemscenario’s. Natuurlijk is het waar dat we een land aan het worden zijn van KMO’s. Maar het is ook nog steeds waar dat onze welvaart voor een zeer groot deel te danken is aan onze industrie. En die export komt voor zestig procent op rekening van multinationals (meer bepaald een klein tiental van bedrijven). Daarenboven zijn deze multinationals ook nog eens verantwoordelijk voor het gros van het onderzoek en ontwikkeling. De keuze tussen grootschalig of kleinschalig, tussen multinationals of KMO’s is dan ook niet aan de orde. Om de doodeenvoudige reden dat we ons deze keuze niet kunnen veroorloven.

Waar we van af moeten, zijn defensieve scenario’s inzake ons industrieel beleid. We moeten ons richten op toekomstgerichte maaksectoren én natuurlijk ook op diensten. Het ene vloeit voort uit het andere. Het is de taak van de overheid om bruggen te slaan tussen onderzoekscentra en bedrijven, tussen bedrijven onderling en over de sectorale grenzen heen. Want producten worden inderdaad steeds complexer en de expertise die je nodig hebt, vind je nog zelden volledig in één bedrijf. Het is de taak van de overheid om dat te stimuleren. Financieel met boter bij de vis, door opleidingen te ontwikkelen, door jongeren gericht te scholen, door onderzoek en ontwikkeling te ondersteunen.

Maar ook als vakbond moeten we verder kijken dan het cocon van onze sectoren, want anders zal er nooit een toekomstgericht industrieel beleid op poten worden gezet. Nieuwe niches zullen echt niet verankerd liggen in oude opdelingen. Daarmee kiezen we natuurlijk geen gemakkelijke weg, maar wel een noodzakelijke. ABVV-Metaal zal dat doen op het Statutair Congres in november dit jaar. Daar zullen we onze visie op een nieuwe industrialisering  presenteren. En de vraag zal dan niet zijn: grote of kleine bedrijven? Want beide zijn nodig. Als ze tenminste toekomstgericht zijn.

Herwig Jorissen
Voorzitter