de voorzitter

De Voorzitter gaat de dialoog aan. Het gedacht van Georges De Batselier.

 

Na de betoging van het gemeenschappelijk vakbondsfront heeft de regering een ’bemiddelingsvoorstel’ op tafel gelegd. Veel valt er echter niet meer te bemiddelen. Dat wil zeggen: de indexatie van de lonen en sociale uitkeringen blijft gehandhaafd. Zo ook de verhoging van sommige sociale uitkeringen. Maar dat wil evenzeer zeggen dat er geen marge zal zijn voor extra loonsverhogingen de komende twee jaar. Het ABVV houdt nog een federaal comité op dinsdag 26 februari en daar zal worden beslist of het secretariaat van het  ABVV een mandaat heeft om het voorgestelde compromis te aanvaarden. Over de uitkomst van het federaal comité zal voldoende worden gecommuniceerd via de diverse media.

Wat nu echter al glashelder is, is dat de regering dit dossier wil afsluiten en dat we ons daarom zullen moeten voorbereiden op sectorale onderhandelingen zonder marge boven de index. Zoals we de wet van 1996 op de competitiviteit nooit hebben aanvaard, zijn we het ook niet eens met deze totale inperking van de vrije onderhandelingen. De regering heef echter beslist een loonstop in te voeren en het is nu aan ons om te zien wat we voor de arbeiders wel kunnen realiseren.

De klus is echter nog niet helemaal geklaard voor de leiders van dit land. De volgende -  zo mogelijk nog zwaardere - karwei kan nu worden aangepakt: het achterhaalde en discriminerende onderscheid tussen arbeiders en bedienden dat van het Grondwettelijk Hof tegen 8 juli moet zijn weggewerkt. ABVV-Metaal heeft steeds gezegd dat de kans klein is dat de sociale partners in dit dossier (en zeker in economische moeilijke tijden) een compromis zullen vinden. Dan zal de regering met een voorstel op de proppen moeten komen (minstens inzake opzegtermijnen en carenzdag). Gebeurt dat niet, dan kunnen arbeiders na 8 juli naar de arbeidsrechtbank stappen met de eis om op zijn minst een zelfde regeling te krijgen als de bedienden. Concreet wil dat zeggen dat ze bij ontslag recht hebben op de opzeggingstermijnen en -vergoedingen van de bedienden. Ter vergelijking: de maximale opzeggingstermijn voor bedienden in PC 111 bedraagt 550 en 750 dagen (lagere / hogere bedienden), die voor arbeiders 196 dagen. Je hoeft geen rekenwonder te zijn om te begrijpen dat dit serieuze repercussies met zich meebrengt. Vandaar dat patronale organisaties niet willen beginnen aan de sectorale onderhandelingen als er geen duidelijkheid bestaat hierover.

De afgelopen weken doken dan ook de eerste doemberichten op. Zoals bij een staking de werkgevers onmiddellijk klaar staan met ‘hoeveel zo’n staking wel gekost heeft’, wordt nu een gelijkklinkend verhaaltje verkocht. Maar ook in deze is het moeilijk om de precieze extra-kost in te schatten. Bovendien zijn zo’n berekeningen doorgaans nogal theoretisch van aard. Er zou sprake zijn van 30.000 tot 60.000 jobs die bedreigd zouden zijn door een duurder eenheidsstatuut.

Het heeft weinig zin om elkaar met zulke cijfers om de oren te slaan. Het blijft een welles-nietesspel en vooral het levert niets op. Maar het is ook duidelijk dat het opnieuw de industrie zal zijn –en dus de arbeiders in de industrie – die het grootste gevaar lopen. Een zwaardere kost zal de moeilijke positie waarin onze industrie al verkeert alleen verergeren. Bovendien kan niemand voorspellen in welke mate bedrijven – omwille van de wettelijke onzekerheid - in de komende maanden preventief zullen herstructureren. Dat is het doembeeld voor industriële bedrijven met veel arbeiders.

Soms lijkt het alsof iedereen zich troost met de gedachte dat niemand weet hoe laat het is. Maar ondertussen tikt de tijd wel verder weg.

Herwig Jorissen
Voorzitter