de voorzitter

De Voorzitter gaat de dialoog aan. Het gedacht van Georges De Batselier.

 

We verkeren momenteel een beetje in een onwezenlijke situatie. De sociale partners zijn niet tot een interprofessioneel akkoord gekomen. Je zou dan verwachten dat we volop in de sectorale onderhandelingen zouden zitten. Maar ook dat gebeurt niet. Het is wachten ‘tot de duiven gelost worden’. Anders gezegd, het is wachten op de eerste voorstellen van de regering in verband met het arbeiders- en bediendestatuut. Zolang hierover geen duidelijkheid is, willen de werkgevers niet onderhandelen. Dat is begrijpelijk vanuit het oogpunt van de werkgevers.

Sommigen beweren dat er geen prijskaartje vasthangt aan de gelijkschakeling van de statuten. Als dat zo is, dan moet dat gemakkelijk aan te tonen zijn door een onafhankelijke instantie. Alleen waarom is dat dan niet al lang gebeurd? Waarom heeft men dan vijftig jaar gewacht om een einde te maken aan de discriminatie van de arbeiders? Al wat wij weten, is dat we in onze sectoren tijdens voorgaande sectorale onderhandelingen de carenzdag hebben afgeschaft en de opzegtermijnen voor de arbeiders hebben opgetrokken. En we hebben daar wel telkens een prijs voor betaald.

Na het jarenlange getalm van de sociale partners is het nu wachten op de regering. Maar de wereld draait ondertussen wel door. Volgens recente cijfers is België minder welvarend geworden dan in 1995. Toen eindigden we, samen met Duitsland, nog als vierde op een lijst van negentwintig Europese landen. Nu zijn we gedaald tot de achtste plaats. Iedereen weet dat er een rechtstreekse band is tussen industriële ontwikkeling en welvaart.  Rekening gehouden met de onrechtstreekse impact draagt de industrie bij tot veertig procent van de globale welvaart in Vlaanderen. Nu, van alle landen in de eurozone kende België het grootste industriële verval in de afgelopen veertig jaar. België verloor maar liefst de helft van zijn industriële tewerkstelling in die periode. De toegevoegde waarde van de Belgische maaksector blijft zelfs na die achteruitgang belangrijker dan diensten aan bedrijven, distributie en de logistiek. De quasi-totaliteit van de export en tachtig procent van de O&O wordt geleverd door de maaksectoren. Het zijn de landen met de sterkste de-industrialisatie die ook het meest kwetsbaar zijn. Griekenland, Spanje en Portugal zijn landen met het kleinste aandeel van de maaksectoren in hun economie.

Het is een duidelijke waarschuwing dat we meer nodig hebben dan een beleid dat achter de feiten aanloopt en redt wat er nog te redden valt. En dan vooral een proactief beleid dat nu de contouren uittekent van en investeert in de duurzame industrie van morgen. Dat is alvast wat ABVV-Metaal zal doen op zijn tweede Statutair Congres ‘Vakbond 2.0 voor een nieuwe industrialisering’.

Zoals we niet hebben gewacht op de sociale partners of de regering om de discriminatie van de arbeiders aan te pakken in onze sectoren, zo wachten we ook niet om na te denken over hoe zo’n duurzame industrie er moet uitzien. Op de Syndicale Raad van 17 mei zijn we begonnen we met de voorbereiding van ons Congres  en dus met de voorbereiding van de welvaart van morgen.

Voor hen die wachten op het lossen van de duiven:  op vrijdag 17 mei resten er nog 51 dagen om een antwoord te geven op de deadline van het Grondwettelijk Hof.

Herwig Jorissen
Voorzitter