de voorzitter

De Voorzitter gaat de dialoog aan. Het gedacht van Georges De Batselier.

 

Vrijdag 4 juli 2013 werd geschiedenis geschreven. Met de wet van 10 maart 1900 verkregen de arbeiders na een lange sociale strijd een minimale wettelijke bescherming. De bedienden waren uitgesloten van deze wet en werden geacht voldoende dicht bij de werkgever te staan en daardoor afdoende in staat om voor hun eigen  belangen op te komen. Op 7 augustus 1922 kregen ook de bedienden hun eigen wet op de arbeidsovereenkomst. Maar een wet met een andere finaliteit “de wet van 1922 heeft aan de bediende zulk een voordelig statuut toegekend, in hoofdzaak met het doel hem los te rukken van de arbeidersklasse, om het onderscheid te bestendigen tussen de werknemer met de hoed en de werknemer met de pet, en om te voorkomen dat de eerste zou aansluiten bij de vakbeweging.” Het resultaat was dat diegene die oorspronkelijk werden geacht geen wettelijke bescherming nodig te hebben, uiteindelijk de meest verregaande bescherming genoten.  Met de (huidige) wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten werden wel een aantal stappen in de goede richting gezet, maar ze bestendigde in feite de historisch gegroeide ongelijkheid tussen arbeiders en bedienden. De sociale apartheid werd in keurige wetten gegoten.

ABVV-Metaal (voorheen de CMB) heeft steeds deze flagrante discriminatie aangeklaagd en gepleit voor gelijkheid: voor één werknemersstatuut. Consequent, tientallen jaren, congres na congres. We waren roepende in de woestijn. Ook binnen het ABVV, waar men niet veel verder ging dan hoogstens wat lippendienst bewijzen aan de arbeiders. Het bewijs werd interprofessioneel akkoord na interprofessioneel akkoord geleverd. Ondanks alle mooie woorden op papier om een einde te maken aan de ongelijke behandeling slaagden de sociale partners er niet in om ook maar enige vooruitgang te boeken.

We wisten nochtans dat we het gelijk aan onze kant hadden. Het Arbitragehof oordeelde in twee arresten (8 juli 1993 en 21 juni 2001)  dat het verschil in behandeling tussen arbeiders en bedienden de toets van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet zou doorstaan. In 1996 veroordeelde de Raad van Europa België, omdat de minimumopzegtermijnen van de arbeiders te kort waren. Bovendien hebben alle EU-landen, met uitzondering van Griekenland, het onderscheid tussen een arbeiders- en bediendestatuut afgeschaft.

Gelukkig voor ons was er het Grondwettelijk Hof, dat na een prejudiciële vraag van de arbeidsrechtbank van Brussel, in een arrest van 7 juli 2011 van oordeel was dat de wettelijke bepalingen met betrekking tot de opzeggingstermijnen en de carenzdagen voor arbeiders in strijd zijn met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Het Hof gaf  de wetgever twee jaar de tijd (uiterlijk tot 8 juli 2013) om een einde te maken aan deze discriminatie. De inspanningen die de wetgever en de sociale partners tot dan geleverd hadden, waren, volgens het Hof, onvoldoende.

732 dagen had men dus om een einde te maken aan de discriminatie. Vanaf die dag begon de klok op onze website te tikken. En de dagen tikten weg zonder dat er veel bewoog bij de sociale partners. Zoals al die jaren voorheen geraakte men geen stap verder. Ondertussen naderde de deadline van het Grondwettelijk Hof met rasse schreden. Alleen zo verdeeld als de sociale partners waren over  het arbeiders- en bediendestatuut, zo verdeeld leek ook de politiek te zijn, waardoor de B-H-V van het sociaal overleg niet opgelost dreigde te geraken. Sommigen hoopten daar misschien ook stilletjes op.

Tot drie vrouwen tijdens een laatste marathononderhandeling besloten om deze afspraak met de geschiedenis niet te missen. Na 27 uur heen en weer peddelen slaagden minister van Werk, Monica De Coninck, haar kabinetschef, Eva Van Hoorde en de kabinetschef van de premier, Yasmine Kherbache, erin om een historisch compromis op tafel te leggen: de carenzdag wordt afgeschaft en de opzegtermijn van de arbeiders en de bedienden zal voortaan gelijk zijn. Natuurlijk moet er nog heel wat technisch verder uitgewerkt worden, maar het feit is er: twee van de meest flagrante discriminaties worden afgeschaft.

Natuurlijk is dit een compromis, maar het is een compromis dat mag gezien worden. ABVV-Metaal feliciteert daarom iedereen die dit resultaat mede tot stand heeft helpen brengen. We zijn er trots op dat drie socialistische vrouwen dit gerealiseerd hebben. De juridische chaos is vermeden. De arbeiders krijgen eindelijk waar ze recht op hebben. Er is voor gezorgd dat onze industrie niet verder in gevaar komt. Er zit een visie achter die maakt dat hiermee de basis wordt gelegd voor een nieuw statuut voor een moderne arbeidsmarkt.

ABVV-Metaal heeft onze socialistische politica bedankt met drie boeketten van 62 rode rozen (voor 62 weken opzeg bij een anciënniteit van 20 jaar). We hebben voor in onze fabrieken een affiche gemaakt om iedereen te bedanken die geholpen heeft om een einde te maken aan deze apartheid. We bedanken met name onze arbeiders en militanten voor de jarenlang volgehouden strijd. Nu het dossier van de opzeg en de carenzdag geregeld is, is de klok op onze website stilgevallen. Maar even vastberaden zijn we om nu ook de andere verschillen versneld aan te pakken. ABVV-Metaal zal de strijd voor één werknemersstatuut daarom met des te meer volharding voortzetten.

We wensen iedereen een prettige vakantie wat des te beter zal lukken, nu sedert 4 juli de zon voor iedereen een beetje meer schijnt.

Herwig Jorissen
Voorzitter