In gesprek met... Luc Peiren.

De Wet op de Arbeidsongevallen was een van de allereerste sociale wetten in ons land die door het parlement werden goedgekeurd. Tot pakweg eind jaren 1880 was van zo’n wetgeving niet eens sprake. In het beste geval reikte de overheid enkele instrumenten om de ergste lonen te lenigen (openbare onderstand, voorloper OCMW) of om de arbeiders in staat te stellen om zichzelf te helpen. We hebben het dan bijvoorbeeld over de in 1850 opgerichte Algemene Spaar- en Lijfrentekas waar arbeiders konden sparen voor hun pensioen … Voor zover zij natuurlijk al konden sparen en voor zover zij al de pensioengerechtigde leeftijd haalden. In 1840–1851 werden mannen en vrouwen namelijk respectievelijk 36,1 en 38,5 jaar …

Erkenning van de ziekenkassen

Met de wet van 3 april 1851 bood de overheid de mutualiteiten ook een timide financiering aan als zij zich lieten erkennen. Maar dat kon alleen als aan een aantal strenge voorwaarden werd voldaan. Zo moesten de mutualiteiten onder meer een lijst van hun leden overmaken. Gevolg was dat maar weinig mutualiteiten zich lieten erkennen. Een jammerlijke zaak, want mutualiteiten beperkten zich niet alleen tot het terugbetalen van geneeskundige zorgen en geneesmiddelen. Veel mutualiteiten kwamen, van zodra dat financieel haalbaar was, ook tussen bij arbeidsongevallen. Dat was zeker geen overbodige luxe.

Want artikels 1382 en volgende van het burgerlijk wetboek die over de burgerlijke aansprakelijkheid gingen, bepaalden dat het slachtoffer van een ongeval de fout van de andere partij moest kunnen bewijzen. Daarenboven moest het slachtoffer kunnen aantonen dat deze fout de oorzaak was van de opgelopen letsels. Zulke bewijzen waren moeilijk te leveren, waardoor in de meeste gevallen/ongevallen geen sprake was van een vergoeding. Voor een arbeider in een fabriek was het al helemaal onmogelijk om te bewijzen dat zijn arbeidsongeval de fout was van zijn werkgever. Toch zou het nog tot begin 20e eeuw duren eer de overheid dit onrecht aanpakte.

Stem van de arbeiders

De overheid talmde zoals gezegd heel lang om de arbeiders sociaal te beschermen. Het was een van de redenen waarom een Luikse herdenking van de Parijse Commune in de lente van 1886 uitmondde in een stakings- en protestgolf die over heel Wallonië uitrolde en in Gent en Aalst leidde tot betogingen. En hoewel dit protest in Wallonië in bloed werd gesmoord, drukte de stakingsgolf de regering en burgerij ook met de neus op de feiten.

De vervolging van de stakers was niet het enige antwoord van de overheid op het oproer. Dit keer wilde de overheid ook nagaan waarom de arbeiders aan de onlusten deelnamen. In april 1886 riep de overheid daartoe een commissie (de Commission d’Enquête du Travail) in het leven die de arbeidsomstandigheden moest onderzoeken.

De oprichting van de Belgische Werkliedenpartij nog geen jaar eerder was niet vreemd aan dat besluit. Die partij kende steeds meer succes en slaagde er op 15 augustus 1886 zelfs in om 30.000 arbeiders op de been te krijgen voor een demonstratie voor het algemeen stemrecht én de vrijlating van stakingsleiders. Daarmee illustreerde de partij dat ze in staat was om het ongenoegen van de arbeiders te kanaliseren: ze was een politieke machtsfactor geworden die niet zomaar meer genegeerd kon worden.

Het Koninklijk Besluit tot oprichting van de ‘Commissie voor de Nijverheidsarbeid’ werd op 15 april 1886 ondertekend door Leopold II. Op 28 april startte de commissie haar werkzaamheden plechtig op. De commissie bevroeg bedrijfsleiders, arbeiders, gemeentelijke en provinciale overheden en diverse organisaties, waaronder vakbonden en mutualiteiten. Op 4 juni 1887 sloot de commissie haar werkzaamheden af en formuleerde ze haar besluiten. Eén van die besluiten betrof de invoering van een verplichte arbeidsongevallenverzekering.

Dit was niets te laat: zware ongevallen in de industrie, zoals de grauwvuurontploffing in de steenkoolmijn van Frameries van 1879, die 130 doden eiste, hadden een diepe indruk nagelaten bij de publieke opinie. Voor de slachtoffers van de ramp en hun familie was immers niets voorzien. Hen wachtte enkel bittere armoede, miserie en een uitzichtloos bestaan.

Werk van lange adem

Toch namen de werkgevers her en der op eigen initiatief al het heft in handen. In de Waalse mijnbekkens werden voorzorgkassen opgericht. Maar de aansluiting hierbij was niet verplicht en de toegekende vergoedingen miniem. Het systeem bleef berusten op liefdadigheid. Van een werkelijke schadeloosstelling was geen sprake. Dit creëerde ook een sfeer van willekeur waarbij de tegemoetkoming aan slachtoffers afhankelijk was van de welwillendheid van de werkgever. Stakers, vakbondsleiders, militanten van de Belgische Werkliedenpartij hoefden niet te rekenen op enige tussenkomst.

In 1888 bedroeg het aantal stakers dat verzekerd was tegen arbeidsongevallen maar 6% van de actieve bevolking … Op basis van de aanbevelingen van de commissie werd in 1887 al een eerste wetsontwerp ingediend om de problematiek aan te pakken, maar dit initiatief kreeg geen vervolg.

Drie jaar later werd naar aanleiding van de vijfentwintigste verjaardag van de troonsbestijging van Leopold II de Hulp- en Voorzorgskas voor slachtoffers van een arbeidsongeval opgericht. Deze kas legde de basis boor het latere Fonds voor Arbeidsongevallen (vanaf 1967). En op 12 maart 1901 diende minister van Nijverheid en Arbeid Surmont de Volsberge in naam van de regering een nieuw wetsontwerp in. Dit leidde op 24 december 1903 tot de wet betreffende ‘de vergoeding der schade voortspruitende uit arbeidsongevallen.’.

Een succes, maar niet zonder keerzijde

De wet werd beschouwd als een succes omdat de arbeiders niet meer hoeven te bewijzen dat het de schuld was van de werkgevers om te worden vergoed. De focus lag nu op de objectieve aansprakelijkheid van de werkgever. Aan de basis lag een andere kijk op de tewerkstelling. Aangezien de werkgever mensen tewerkstelde met de bedoeling hier voordeel, zeg winst, uit te halen, was het niet meer dan normaal dat de werkgever ook aansprakelijk werd gesteld voor alle hieruit voortspruitende risico’s voor zijn werknemer.

Dat betekende dat de werkgever voortaan aansprakelijk was voor de lichamelijke schade na ongeval, die zijn werknemer opliep bij de uitoefening van zijn taak, los van wie in fout was. Toch had de nieuwe wet ook tekortkomingen. Zo was deze verzekering niet verplicht. De werkgever was wel aansprakelijk voor de arbeidsongevallen, maar dat betekende daarom nog niet dat hij automatisch verzekerd was. Het kon dus zijn dat de werknemer alsnog in de kou bleef staan na een arbeidsongeval. De arbeidsongevallenverzekering werd pas zo’n zeventig jaar later (1971) een wettelijke verplichting.

Een andere tekortkoming was dat de werkgever maar 50% van de financiële last van het ongeval moest vergoeden. Het zou nadien nog duren tot 1951 eer hij de volledige 100% moest vergoeden. In (socialistische) vakbondskringen ten slotte stelde men zich tot kritisch op tegenover omwille van de concrete organisatie van de georganiseerde bescherming. Het ging immers niet om een staatsverzekering. De wetgever liet daarentegen de tussenkomst toe van privéverzekeringsmaatschappijen.

Marge voor verbetering

Na 1903 werden ook andere al dan niet ingrijpende wijzigingen doorgevoerd aan de wet. In 1903 beperkte de wet zich tot handarbeiders in industriële ondernemingen met ten minste vijf arbeiders. Dat betekende onder meer dat de bedienden van de wet uitgesloten waren omdat zij intellectuele en geen handenarbeid verrichtten. De wet van 18 juni 1930 breidde de bescherming daarom uit tot alle types van ondernemingen en werknemers.

In 1945 werd de wetgeving ook uitgebreid naar de ongevallen op weg naar het werk en op de terugweg naar huis.

Sociale zekerheid en Fonds voor Arbeidsongevallen

Niet onbelangrijk om weten, is dat de arbeidsongevallenwet kort na de Tweede Wereldoorlog niet werd opgenomen in het sociaal zekerheidsstelsel, net omwille van het feit dat de privéverzekeraars een rol speelden in de arbeidsongevallenverzekering.

Door de wet van 29 juni 1981 werden uitkeringen voor arbeidsongevallen alsnog beschouwd als sociale zekerheidsprestaties en werd de rol van de privéverzekeraars vergelijkbaar met die van de mutualiteiten in de ziekteverzekering. Het al eerder vermeldde Fonds voor Arbeidsongevallen, opgericht in 1967, fungeerde daarbij vanaf dan als controleorgaan. Zoals we al zagen werden de werkgevers pas in 1951 voor de volle 100% verantwoordelijk voor de schade als gevolg van arbeidsongevallen en in 1971 verplicht om een arbeidsongevallenverzekering af te sluiten. Als een werkgever geen arbeidsongevallenverzekering had, nam dit fonds het op zich om het slachtoffer alsnog uit te betalen. Achteraf mag het fonds deze vergoeding wel verhalen op de werkgever en eventueel een geldboete opleggen als gevolg voor het niet respecteren van de wettelijke bepaling.

De wet van 12 juli 1991 ten slotte versoepelde de interpretatie van de omschrijving ‘weg van en naar het werk’. Voortaan wordt de term de ‘dagelijkse weg’ aanvaard, ook als deze omwegen bevatte zoals bijvoorbeeld voor het ophalen of wegbrengen van de kinderen of voor carpooling …

Luc Peiren
Projectmedewerker AMSAB

Andere blogs vanuit Amsab:

125 jaar Dag van de Arbeid
In gesprek met de directeur van Amsab
There is a war on, you know
Vrouwen en vrede, één strijd
80 jaar congé payé
Waarom is onze vlag eigenlijk ROOD?