In gesprek met...Isabelle Van Hiel.

Eind vorig jaar, op 21 december 2018, stuurde minister van Justitie Koen Geens een persbericht de wereld in. Het bericht getiteld ‘Drempel naar Justitie verlagen’ maakt gewag van een maatregel van de minister om “justitie toegankelijker te maken voor iedereen”. De minister stelt hierin: “Mensen zijn eerder terughoudend om naar de rechtbank te stappen omdat dit heel wat kosten met zich meebrengt.” De minister erkent daarmee de vaststelling die al in 2015 in De Tijd werd gedaan dat op enkele jaren tijd een zaak aanhangig maken bij de rechtbank fors duurder is geworden. Zo duur zelfs, dat een beroep op justitie voor veel gezinnen onbetaalbaar dreigt te worden. Wat de minister er niet bij vertelt, is dat hij minstens medeverantwoordelijk is voor de stijgende kosten.


Hoe komt het dat de kosten stijgen?

Een overzichtje van de maatregelen die de stijgende kosten hebben veroorzaakt.

Rechtsplegingsvergoeding

In 2008 werd de rechtsplegingsvergoeding hervormd. In plaats van een loutere vergoeding voor de gerechtskosten, werd de rechtsplegingsvergoeding een vergoeding die door de verliezende partij aan de winnende partij moet worden betaald en hem op forfaitaire wijze vergoedt voor de erelonen en kosten van een advocaat. Vermits de maatregel uit 2008 dateert, kan hij niet aan Geens worden toegeschreven. Toch gaat Geens niet volledig vrijuit. De rechtsplegingsvergoeding is sinds 2008 twee maal verhoogd. Sinds 2016 bedraagt de rechtsplegingsvergoeding tussen de 1.200 en 4.800 euro per aanleg voor zaken van 20.000 tot 40.000 euro. De rechtsplegingsvergoeding stijgt met de waarde van het geschil. Voor een vordering tussen 60.000 en 100.000 euro, ligt het plafond op 7.200 euro. Voor sommige geschillen is er evenwel een lager tarief: voor sociale zekerheidsgeschillen, sociale bijstand en arbeidsongevallen en beroepsziekten. Merk op dat dit lager tarief er niet is voor arbeidsrechtelijke geschillen en daar de gewone regels gelden. Goed nieuws voor de winnaar zou u zeggen? Dat is dan alleen wanneer de winnaar wordt vertegenwoordigd door een advocaat. De (ex-)werknemer die wordt vertegenwoordigd door een syndicaal pleiter kan geen rechtsplegingsvergoeding krijgen.

Rolrechten

In 2015, toen Geens al wel minister was, werden de rolrechten verhoogd. Het rolrecht is de vergoeding die moet worden betaald om de zaak op de rol van de rechtbank te laten zetten. Nieuw was ook dat de rolrechten niet per zaak, maar per eisende partij moeten worden betaald. Als de eisende partij een echtpaar is, moeten dus twee keer rolrechten worden betaald. De rolrechten worden voorgeschoten door de eiser, maar uiteindelijk gedragen door de verliezer. Naargelang de rechtbank en de waarde van het geschil variëren de rolrechten van 40 euro tot 800 euro. Ook voor de arbeidsgerechten dienden rolrechten te worden betaald. In 2017 werd deze regeling vernietigd door het Grondwettelijk Hof. Vanaf 1 februari 2019 is een nieuwe regeling van toepassing. De nieuwe regeling wordt door Geens voorgesteld als: “Deze hervorming belemmert geenszins de toegang tot de rechter, maar heeft precies de bedoeling deze veilig te stellen.”  De minister doelt op het feit dat de rolrechten niet meer bij aanvang door de eiser moeten worden betaald, maar op het einde door de verliezende partij. De minister zwijgt opnieuw zedig over het feit dat de tarieven ook zijn aangepast, zodat ten opzichte van de vernietigde regeling voor geschillen met een geringe waarde een hoger rolrecht moet worden betaald. De arbeidsgerechten zijn gelukkig uitgesloten van rolrechten.

Begrotingsfonds

En dan is er nog het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand dat procederen vanaf 2017 weer duurder maakte. Om de stijgende kosten van de pro-Deoadvocaten te betalen, moet sinds 1 mei 2017 een bijdrage van 20 euro worden betaald door alle eisers in burgerlijke zaken en alle veroordeelden in strafzaken. De bijdrage wordt ook geïnd per eisende partij, en uiteindelijk betaald door de verliezer. Er zijn uitzonderingen voor gerechtigden op een pro-Deoadvocaat, arbeidsongevallen en beroepsziekten en sociale zekerheidsgeschillen. De bijdrage is gekoppeld aan de index. Voordien werden de kosten van de juridische tweedelijnsbijstand door de overheid gedragen. Het nieuwe systeem legt de kost voor het pro-Deosysteem bij de rechtszoekenden en is dus een besparingsmaatregel.

Btw

Mogen we niet uit het oog verliezen dat de opgesomde kosten niet de enige kosten zijn die moeten worden gemaakt om een zaak voor het gerecht te brengen. Gedurende het geschil kunnen expertises nodig zijn of, naderhand, moeten misschien nog uitvoering worden gevraagd omdat de verliezer niet spontaan betaalt. Ook deze kosten komen ten laste van de verliezende partij. Wordt beroep gedaan op een gerechtsdeurwaarder, dan moet ook die worden betaald. De belangrijkste kosten zijn echter de erelonen en kosten van een advocaat, die eventueel vergoed worden via de rechtsplegingsvergoeding, maar eerst moeten worden voorgeschoten. Recent zijn beide beroepsbeoefenaars verplicht om btw aan te rekenen. Sinds 2012 geldt deze verplichting voor gerechtsdeurwaarders. In 2014 werd ze uitgebreid tot het ereloon en de kosten van de advocaat. Daar de btw 21 % bedraagt, doet dit de kosten van een juridische procedure met 1/5 stijgen.

E-deposit

Komt daar nog bij dat een van de maatregelen om het gerecht efficiënter te doen werken, de elektronische neerlegging van brieven, conclusies en stukken die vroeger gratis was, sinds vorig jaar voor advocaten betalend is. Een conclusie neerleggen kost nu 9 euro, wat uiteraard ook wordt doorgerekend aan de cliënt. Ook de aangifte van een schuldvordering bij faillissement moet sinds vorig jaar elektronisch gebeuren. Per aangifte kostte dit 6 euro. Deze retributie werd, na protest, dit jaar weer afgevoerd.

Rechtszoekenden procederen niet meer

Het is dus niet verwonderlijk dat rechtszoekenden twee keer nadenken alvorens nog een proces te beginnen. Dat was ook de bedoeling van de minister. Hij wilde zelf financiële drempels opwerpen tegen een beroep op het gerecht. “Enkel als alle andere, minder dure middelen zijn uitgeput, zou men naar de rechter mogen stappen”, stelt hij nog in een artikel in Het Laatste Nieuws uit 2015 dat terug te vinden op zijn webpagina. De minister mag tevreden zijn. Zijn beleid is een succes. Er worden steeds minder processen gevoerd.

De trend is zelfs vast te stellen bij de arbeidsgerechten en arbeidshoven die nochtans afwijkende regels hebben om de kosten van de procedures te drukken, zoals de inleiding bij verzoekschrift en de vertegenwoordiging door een syndicaal pleiter. De daling is merkbaar vanaf de hervorming van de rechtsplegingsvergoeding, maar wordt in eerste instantie gemaskeerd door de bevoegdheid voor collectieve schuldenregeling die de arbeidsgerechten er in die periode bijkregen. Vanaf 2014 daalt het aantal zaken echter elk jaar. In 2012 werden nog 4930 zaken ingeleid voor de arbeidshoven, terwijl dat er in 2017 nog maar 4292 waren. Voor de arbeidsgerechten zijn de cijfers nog opvallender. In 2013 werden nog 102.331 zaken ingeleid bij arbeidsrechtbank. In 2017 nog maar 75.452, een daling met 25 % op 5 jaar tijd.

De situatie is zo verontrustend dat het Belgisch genootschap voor arbeids- en sociaalzekerheidsrecht onlangs in een vrije tribune in De Juristenkrant aan de alarmbel trok. (zie Begasoz, “Hervormingen verhinderen toegang tot de arbeidsrechtbank voor de burger”, De Juristenkrant 2018, afl. 363, 10.)

Rechtsbijstandsverzekering als mirakeloplossing

De minister heeft echter een oplossing voor het tenminste deels door hemzelf gecreëerde probleem, lezen we in een artikel in De Standaard van 17 november 2018, dat eveneens op zijn website staat. Een belastingvermindering van 120 euro moet mensen aansporen om een rechtsbijstandsverzekering van 400 euro per jaar af te sluiten. Het voorontwerp is al goedgekeurd door de ministerraad, maar de vraag is of het – nu de regering in lopende zaken is – nog zal worden goedgekeurd door het parlement. Er zijn immers goede redenen om het ontwerp af te voeren. Test-Aankoop bijvoorbeeld, spaarde zijn kritiek niet. Volgens Test-Aankoop zijn de minimale dekkingsplafonds (13.000 euro voor burgerlijke zaken, 13.500 euro voor strafzaken) te laag, en ver onder de dekkingsplafonds van de bestaande verzekeringen. Daarnaast mag de verzekeraar de tussenkomst beperken, terwijl de advocaat geenszins verplicht is hetzelfde te doen voor zijn erelonen en kosten. Test-Aankoop vreest dat het KB twee markten van rechtsbijstandsverzekeringen zal doen ontstaan: de basismarkt met een beperkte dekking voor het gros van ons en de ‘premiummarkt’ met een betere dekking voor wie het kan betalen. 

De kritiek van Test-Aankoop maakt duidelijk dat het promoten van de rechtsbijstandsverzekering niet volstaat om tegemoet te komen aan het fundamentele probleem dat de rechtstoegang te duur wordt voor de middenklasse. De toegang tot het gerecht beperken tot degenen die zich een rechtsbijstandsverzekering met een hoge dekking kunnen veroorloven, kan moeilijk worden beschouwd als een oplossing. Een financiële stimulans voor rechtsbijstandverzekeringen kan zelfs een averechts effect hebben. In de gezondheidszorg zijn sinds de veralgemening van de hospitalisatieverzekering de ereloonsupplementen alleen maar toegenomen. En de belastingaftrek voor hypothecaire leningen draagt nog bij tot de stijgende woningprijzen.

Een echte oplossing kan enkel worden gevonden in maatregelen van de overheid om de kosten van de rechtspleging te verminderen, ook voor de gezinnen die net te veel verdienen voor een pro-Deoadvocaat. Doet de overheid dat niet, dan dreigt de toegang tot het gerecht te worden beperkt tot wie er bemiddeld genoeg voor is. Voor een democratie is dat een beangstigende gedachte.

Isabelle Van Hiel
Adviseur ABVV-Metaal

 

Andere blogs van Isabelle:

Waarom een studielening geen goed idee is

Zet de dikke katten op dieet 

Ze zijn er weer ... de kamperende ouders

Werknemer in knelpuntberoep? Betaal nu zelf voor opleiding!