In gesprek met... Frans Biebaut.

Ik had mij de tijdsgeest bij het einde van mijn loopbaan helemaal anders voorgesteld, ik had het veel warmer, veel hartelijker verwacht. Het harde vluchtelingenbeleid, de stijgende kinderarmoede, de rechtse politiek en nog zoveel meer, zorgen bij mij voor een unheimlich gevoel. Het is niet meer humaan, men heeft het overal over principes: langer werken, quota van 50 vluchtelingen per dag, maar men vergeet de mens, het kind achter die principes. Zo voelt alles koud, behalve het klimaat. En dan durf ik amper te schrijven over het drama in Yemen, hongerende kinderen die het slachtoffer zijn van een pervers politiek schaakbord. Ja er was destijds Biafra, maar dat was de schuld van die andere generatie. Yemen is mijn generatie en ik schaam me diep. Ik heb maar één stem en ze helpt voorlopig niet.

Ik droom van de dictatuur van het humanisme waarbij men streng is voor de vorm, maar zacht met de mens, waar rechtse partijen geen misbruik kunnen maken van de zwakheid van de democratie, waar mensenrechten meer zijn dan een verdrag, waar geen plaats is voor populisme en het soort media die op hun beurt de democratie misbruiken, waar een regering niet de naam draagt van zijn eerste minister, waar cultuur zijn gang mag gaan, waar... vul maar in jij lezer, het is een droom.

Ik was werkloos en lid van het ABVV, toen een anti-atoomsticker op de motorkap van mijn Renault 4 destijds de aandacht trok van een buur die ook intergewestelijk secretaris van het Vlaams ABVV was. Ik werd aangeworven en belandde in een BTK-project (bijzonder tijdelijk kader = nepstatuut van destijds) rond de sociale verkiezingen 1983.

Met een Citroën Dyane doorkruiste ik Vlaanderen om de plaatselijke afdelingen te motiveren om in voorbereiding van de sociale verkiezingen, syndicale cafés te organiseren. Eén van die uitstappen voerde mij naar Lommel waar ik mijn toekomstige baas in de metaal zou ontmoeten.

Toen al bekroop mij een interprofessioneel Don Quichot-gevoel, een gevoel dat tijdens mijn loopbaan hoogtes en laagtes gekend heeft, maar eigenlijk nooit is verdwenen. Het interprofessionele wordt in de schoot van mijn vakbond ondergewaardeerd.

Een van mijn eerste opdrachten als bleu in de praktijk van het ABVV, was een gesprek met Herman Van Herzeele, secretaris of misschien wel voorzitter van BBTK-Aalst. Ik werd verwittigd dat hij nors uit de hoek kon komen en vertrok dus met een lichte paniek. Onterecht want hij ontving mij hartelijk. Het gesprek ging over het wezenlijk, en cultureel onderscheid tussen arbeiders en bedienden. Ik kwam er buiten met een gevoel van onoverbrugbaarheid van de beide statuten.

Na de sociale verkiezingen solliciteerde ik met succes bij de interprofessionele vorming. Ditmaal werd ik tewerkgesteld in een DAC-project (derde arbeidscircuit), een 'verbeterd' nepstatuut. Een van mijn opdrachten die mij is bijgebleven was een 'mijnwerkersweek' in Nieuwpoort. Ik kwam zondagavond aan in Nieuwpoort met knikkende knieën. Mijnwerkers hadden de reputatie van harde militanten, solidariteit begon onder en leefde verder boven de grond. Van mijn collega’s kreeg ik een snelcursus 'mijnwerkerstaal'. Ik heb die week vooral vorming gekregen van de mijnwerkers zelf. Geboeid heb ik geluisterd naar hun verhalen en geleerd hoe zij hun syndicaal werk aanpakten.

De hang naar een vaste baan bracht mij bij de werklozenwerking van het ABVV, waar ik onder de vleugels van Jef Maes de bruggepensioneerdenwerking mocht begeleiden. Wij hebben in die tijd meer actiegevoerd tegen het beleid dan achter ons bureau gezeten. In die periode maakte ik ook kennis met de binnenkant van 'Den amigo' aan de Brusselse Kolenmarkt. Werklozen hadden geen statutaire plaats in de vakbondsstructuur en de roep naar een werklozencentrale was toen heel sterk, ook dat was ons strijdpunt.

Een volgende stap in mijn loopbaan was mijn werk op de studiedienst van het Vlaams ABVV. Ik had er fijne collega’s maar beroepshalve voelde ik mij als niet-universitair geschoolde een soort vijfde wiel aan de wagen.

Het licht in de duisternis kwam uiteindelijk vanuit de metaalcentrale. Ik begon er te werken in 1996 en heb er sindsdien nog geen seconde spijt van gehad. Onder de licht autistische vleugels van mijn gewaardeerd collega Bart Samyn werd ik ingewijd in het sociaal overleg bij de aanverwante sectoren en later in zijn voetsporen, gesterkt door het vertrouwen van de voorzitter, als volleerd medewerker bij de sector metaalbouw.

In mijn functie van adviseur heb ik het belang van het sociaal overleg ervaren. Veel problemen worden in overleg geregeld, ik heb in mijn loopbaan eigenlijk weinig verzoeningen met de tussenkomst van een bemiddelaar meegemaakt. Vaak werd weliswaar een probleem afgekocht, want in het overleg heeft zelfs een glimlach zijn waarde, alles komt in die schaal terecht die bijdraagt tot het evenwicht of die dat evenwicht moet herstellen. Een aantal keer had ik ook het gevoel dat er onderhandeld werd met de handrem op, omdat de dingen al in een meer discreet overleg geregeld waren.

Ik heb net de tijd gemist dat er cao’s werden gesloten op bierkaartjes, in zaaltjes waar er een dikke blauwe rook van sigaretten hing. Een cao was toen nog echt de weergave van een bereikte consensus, iets zoals de kopers en verkopers van vee die in elkaars handen klappen, om aldus de koop af te sluiten. De slinger is vandaag naar de andere kant uitgeschoten. Vandaag is een cao een juridische constructie waarbij sommigen te veel vergeten dat dit een akkoord, een consensus is tussen twee partijen. De vorm heeft het momenteel gewonnen van de inhoud. Het sociaal overleg wordt meer en meer gejuridiseerd, een cao wordt heden ten dage op de FOD-Werk tot op het bot doorgelicht door een leger juristen, niet alleen op de vorm, maar bijv. ook of de cao voldoet aan de loonnorm. Bij het kleinst geconstateerde gebrek krijg je je cao terug of erger nog, wordt hij niet algemeen verbindend verklaard. Deze evolutie stellen we niet alleen vast bij het maken van cao’s. Meer en meer worden we in de paritair comités geconfronteerd met advocatenkantoren die optreden namens anonieme bedrijven. Zij willen even polsen hoe wij één of ander artikel van een cao interpreteren, om daarmee vervolgens hun syndicale delegatie negatief te confronteren. Voorzitters van de paritaire comités hebben ondertussen ook een heilige schrik voor rechtszaken die op basis van niet correcte vergaderingen, bepaalde beslissingen willen aanvechten. Ook het sociaal overleg heeft zijn procedurepleiters.

Ik heb in mijn loopbaan bij ABVV-Metaal de sluiting van 3 automobielfabrieken meegemaakt. Na de sluiting van Renault waar de arbeiders flexibiliteit hadden geweigerd (dit was niet de enige oorzaak van de sluiting), kregen de andere autofabrieken een soort status van kroonjuweel. Er mocht daar liefst niet gestaakt worden en van sommige uitzonderingen werden voor hen regels gemaakt. Het was toen dat het monster van Loch Ness, het plusminusconto, het levenslicht zag. Het summum van de flexibiliteit zou de automobiel in België houden. Niks daarvan, er zijn er nadien nog 2 en bijna 3 gesloten, geen van hen was geïnteresseerd in het plusminusconto. Maar nu heeft minister Peeters dat monster wel opgenomen in de wetgeving. Tegelijk met de sluiting van de 3 en bijna 4 automobielfabrieken is er in onze centrale een soort voorzichtigheidsbeginsel ten aanzien van het actievoeren binnengeslopen. Het lijkt wel alsof een metaalindustrie in verval amper acties verdraagt, want die zouden de sluitingen alleen maar bespoedigen. Staking of geen staking, bij mijn weten is het ritme van de sluitingen en de herstructureringen in de metaalsectoren hoog en vrijwel constant gebleven.

Een dwarsligger in mijn loopbaan maar dan één van recentere aard, is de rol van de overheid. De overheid is per definitie geen neutrale partner en is zij ook nooit geweest. Die overheid is centrum, centrum links of rechts, zoals we er vandaag één hebben of moet ik schrijven amper één hebben. Ons model is gebouwd op een overleg tussen twee partijen, de vakbonden en de werkgevers. De overheid staat er structureel buiten. Dat zinde de rechtse regering absoluut niet en dat hebben we de voorbije 4,5 jaar gemerkt. Deze regering zit niet aan de tafel, maar onder de tafel van het overleg. De werkgevers weten wanneer ze 'neen' moeten zeggen en vooral wanneer het voor hen toch wordt opgelost. Als er dan toch een unaniem akkoord of advies komt, dan wordt dit voor de regering meteen een catalogus van de 3 Suisses, ze pikken er de zaken uit waar ze (budgettair) zin in hebben.

Het ergste is nog dat centrumlinkse regeringen vaak de eerste aanzet hebben gegeven van de huidige afbraakpolitiek. Neem nu de loonnorm, het is geen uitvinding van Michel I, het is de uitvinding van Dehaene en co. Het principe werd vastgelegd, maar voor de toepassing ervan keek men even weg of dan was het een aanbeveling en geen dwingende norm. Rechtse regeringen pakken dit principe maar al te graag op, verstrengen het en kijken scherp toe op de toepassing ervan. Centrumlinkse regeringen willen heiliger zijn dan de paus, zij willen iets rechtser zijn dan links zijn en banen daarmee de weg voor rechts. Waarom willen de sociaaldemocraten en bij uitbreiding centrum links, 1 % van de kiezers winnen op hun rechterflank en er ondertussen 5 % verliezen op hun linkerflank?

Met de pensioenen en de brugpensioenen gebeurde net hetzelfde. Zo zorgde de regering-Di Rupo ervoor dat de gelijkstelling voor de pensioenen beperkt werkt voor de derde periode werkloosheid. Ondertussen heeft Michel I dat ook gedaan maar dan voor de tweede periode werkloosheid en bovendien ook voor de meeste brugpensioenen. De N-VA benoemt dit als de kracht van de verandering. Sociaaldemocraten moeten m.i. vooral bij hun corebusiness blijven en wat is die anders dan de verdediging en de verbetering van de sociale zekerheid, van het sociaal welzijn van de werknemers?

Als ik wat korter omkijk, dan zie ik de beweging van de gele hesjes. Dit lijkt mij een bijzondere evolutie. Wij zeggen en eisen als vakbonden en zelfs als sociaaldemocraten dezelfde dingen: hogere lonen, lagere energieprijzen, verlaging van de BTW op gas en elektriciteit en toch ontstaat er een parallelle beweging zonder uitgesproken leiding of structuur. Ik vraag mij af, zijn we dan als vakbond niet meer geloofwaardig, schieten wij voorbij aan onze doelgroep, of schort het aan onze communicatie, het is iets wat ons zou moeten bezighouden, het houdt mij alleszins bezig en ik ben er niet gerust in.

Een paar jaar terug schreef ik mij in voor de leergang pensioenrecht aan de K.U.L. Gedurende een jaar genoot ik van een intensieve opleiding rond alle soorten pensioenen en levensverzekeringen. In tijden van een pensioen met punten en een kwakkelpensioenbeleid van deze regering, kwam deze studie op het gepaste moment. Ik zal het pensioendossier, misschien wat meer op afstand, blijven opvolgen en daar waar het kan verlichten met mijn visie.

Tijd om deze blog af te ronden samen met mijn rijk gevulde loopbaan, ik ga vooral de collega’s vrouwen, mannen missen, waar ze ook aan de tafel zaten.

 

Frans Biebaut

Hoofdadviseur ABVV-Metaal

 

Andere blogs van Frans:

Over cameltoes en de wraak van Bacquelaine

Waarom de werknemer aan het kortste eind trekt met de nieuwe rendementsgarantie van het aanvullend pensioen

Over een leerkracht in handenstand, een broekventje en het summum van solidariteit 

Open brief aan Daniel Bacquelaine