In gesprek met... Peter Bostyn

Bij het grasduinen door de recentste jaargangen van Samenleving en Politiek (SAMPOL) herlas ik een interview met stadsexpert Eric Corijn, waarin hij een roadmap voor progressieven richting 2018 uittekent[1]. De ideeën van Corijn zijn altijd verhelderend, nooit anekdotisch, maar ingebed in de context van de grote uitdagingen van deze tijd. In deze blog ga ik het gesprek aan met een aantal van deze ideeën.

‘Denk globaal, handel lokaal’: het is een traditionele slogan van de duurzaamheidsbeweging. Wil je dat consequent toepassen, dan moet je vertrekken van de grote, globale uitdagingen die we dringend moeten aanpakken. Eric Corijn noemt er drie. ‘Er is ten eerste de ecologische crisis, die zich reeds aan het voltrekken is. Daarnaast is er de toenemende sociale ongelijkheid, die, als ze niet aangepakt wordt, zal leiden tot algemene instabiliteit. Tot slot is er de uitdaging die toenemende diversiteit stelt ten opzichte van oude samenlevingsvormen.’ Die drie uitdagingen zijn in de steden onmiddellijke problemen. Mensen snakken naar gezonde lucht voor hun kinderen. Het nijpend gebrek aan betaalbare en kwaliteitsvolle woningen, de vaak ongemakkelijke spreidstand tussen vraag en aanbod op de regionale arbeidsmarkt, de hardnekkige structurele armoede, de lacunes in het aanbod aan toegankelijk en betaalbaar openbaar vervoer, enz…zorgen voor sociale wrevel die zich op een onvoorspelbare manier een weg baant naar het stemhokje. En – zoals Eric Corijn het treffend uitdrukt – in de stad kan je enkel maar samenleven op basis van verschil, in de stad is er geen tijd om te assimileren. Het idee van één volk, één cultuur op één grondgebied houdt geen enkele steek in de stad. Deze drie globale uitdagingen bepalen rechtstreeks de lokale, stedelijke (politieke) agenda. En op die drie terreinen zie je een beetje overal dat de (nationale) politiek niet meer in staat is doeltreffende antwoorden te formuleren op de complexiteit van die uitdagingen.

De crisis van de politiek is dubbel: de democratie wordt uitgehold en het zwaartepunt van het beleid ligt niet op het juiste niveau. Op het nationale niveau gaapt een kloof tussen macht en politiek als gevolg van de toegenomen mobiliteit van het kapitaal en de ongrijpbaarheid van de machtscentra in de geglobaliseerde economie. De effectieve regulerende macht is verschoven naar een ondemocratisch Europa. Het kille, radicaal rechtse nationalisme van de NVA wil het Belgisch niveau uithollen om plaats te maken voor een ‘zelfstandig Vlaanderen voor de hardwerkende Vlaming’, waarin sociale rechten afhankelijk worden gemaakt van je economisch nut, waar VOKA-belangen belangrijker zijn dan mensenrechten en waar de openbare dienstverlening wordt afgebouwd door bezuinigingen en politiek wanbeheer. Het neoliberalisme heeft de sociale onzekerheid als het ware tot het basisprincipe van de maatschappelijke organisatie verheven. De overheersende conservatieve politiek heeft het project van de welvaartstaat (of beter: sociale staat) opgeborgen en de verantwoordelijkheid voor het omgaan met de bronnen van onzekerheid op de schouders van het individu geladen. Sociale bescherming wordt stelselmatig afgebouwd, en wat rest zijn individuele oplossingen voor maatschappelijke problemen.

Om al die redenen is het belangrijk het zwaartepunt van de politiek te verleggen, zowel naar beneden als naar boven toe. De strijd voor linkse antwoorden op de drie hogergenoemde uitdagingen kan op het nationale niveau wel starten, maar enkel op het internationale (minstens continentale) niveau beslissende resultaten opleveren. Maar tezelfdertijd moet de politiek op zoek naar antwoorden die aangepast zijn aan de schaal waarop de problemen zich concreet stellen, en dat zijn de (groot)stedelijke gebieden. Hier komen de globale problemen samen, en het is hier dat het lokale beleid een verschil kan en moet maken.

En op het lokale niveau komt ook het andere aspect van de crisis van de politiek in beeld. Want hier is er nood aan participatieve democratie, aan een meer directe samenwerking en confrontatie met de burgers. Maar daar is in ons politiek model nauwelijks ruimte voor. Nochtans is het hier dat een goed georganiseerde en goed geïnformeerde sociale beweging echt kan wegen. De onwaarschijnlijke prestatie van de Antwerpse actiegroepen in het Oosterweeldossier om de ingebakken afkeer van de gevestigde politiek voor burgerparticipatie te overwinnen, spreekt in dit verband boekdelen. En reken maar dat het Toekomstverbond dat in maart 2017 uit de bus kwam niet echt goed rijmt op het ‘primaat van de politiek’ waarmee Bart De Wever zo graag uitpakt. Dat ‘primaat van de politiek’ is voor de NV-A een essentieel bestanddeel van het rechtse project om de sociale staat af te bouwen en ondergeschikt te maken aan de economische rentabiliteit. Om het sociale te onderwerpen aan het economische moet de stem van het middenveld gesmoord worden. Maar dat valt best wel tegen. De Wever en Co hebben de weerstand tegen hun project onderschat[2]. De verbeten weerstand van de sociale bewegingen dwong de rechtse Kris Peeters in de onwaarschijnlijke en ook wel ongeloofwaardige rol van ‘het sociale gezicht van de regering’. Vandaag is deze strijd nog niet beslecht. Waar rechts het beleid voert doet men er alles aan om de geloofwaardigheid van de sociale bewegingen te ondermijnen en klanten, gebruikers en de brede publieke opinie tegen hen in het harnas te jagen. Om zich daartegen te wapenen zouden de verschillende geledingen van het sociaal verzet een ‘keten van solidariteit’ moeten vormen om niet tegen elkaar te worden uitgespeeld[3]. Dat is zeer gemakkelijk gezegd, maar uiterst moeilijk in de praktijk te brengen wanneer je het concreet maakt: hoe kunnen de verworvenheden van het trein-, tram- en buspersoneel samengaan met de verwachtingen van de gebruikers, hoe breng je de verzuchtingen van de witte woede in overeenstemming met nieuwe zorgtaken en zorgbehoeften, enz…? Uit het samenspel van die verschillende verzuchtingen zouden de principes van een alternatief sociaal model moeten worden gedistilleerd. De arbeidersbeweging, en in het bijzonder de vakbonden, zouden hierbij een cruciale rol kunnen en moeten spelen.

De sociale bewegingen kunnen ook meer doen dan wegen op het beleid; ze kunnen van onderuit zelf aan de weg van de verandering timmeren. En dat is ook nodig, want het rechtse beleid op federaal en gewestelijk niveau en in sommige steden en gemeenten deelt rake klappen uit. Er is nood aan nieuwe vormen van praktische solidariteit, aan coöperatieven, alternatieve modellen van huisvesting, een andere, menselijke omgang met vluchtelingen enz…

De stem van het sociale verzet laten weerklinken; solidariteitsbanden smeden en versterken; alternatieven formuleren om te wegen op het beleid en om initiatieven en praktijken van onderuit te voeden: dat is de bijdrage die de sociale beweging kan leveren om het samen-leven in onze superdiverse, maar door tal van ongelijkheden getekende steden een zuurstofkuur te geven.

Hierbij moeten we het begrip ‘stad’ wel in de ruime zin opvatten. In Vlaanderen overheerst een nogal antistedelijke mentaliteit. Dat komt onder meer omdat de conservatieve elites (om verschillende redenen) in feite antistedelijk zijn. In Antwerpen is dat heel duidelijk. Ze willen een stad die gebruiksklaar is, met veel parkings, veel winkels, veel politie en met weinig Marokkanen[4]. Vanuit een progressieve invalshoek is die antistedelijke mentaliteit een misvatting. In Vlaanderen is het leven van de overgrote meerderheid van de bevolking gericht op de stad. Een stad heeft geen grens zoals een land. Ze telt bewoners, gebruikers, bezoekers, toeristen. Eigenlijk moeten steden en de omringende regio’s opgevat worden als ‘stadsnetwerken’, als ‘stadsgewesten’. Progressieve stadsprojecten zouden dan ook op die schaal moeten worden opgevat en opgezet. Dankzij hun brede sociale inplanting en hun actieve rol in het regionaal sociaaleconomisch overleg is hierbij voor vakbonden een belangrijke rol weggelegd.

Peter Bostyn

Vorming ABVV-Metaal


[1] Een road map voor progressieven richting 2018. Interview met Eric Corijn. Samenleving en Politiek, Jaargang 24, 2017 nr.2 (februari), p.12-21

[2] Eric Corijn: Strijd om hegemonie en regimewissel. Oikos 73 2/2015

[3] Eric Corijn: Strijd om hegemonie en regimewissel

[4] Eric Corijn in ‘een road map voor progressieven richting 2018’

Andere blogs van Peter

De verbeelding aan de macht