In gesprek met... Wim Careel

Vorige week – op precies dezelfde dag – verschenen twee studies over de impact van digitalisering en robotisering op de arbeidsmarkt. Het eerste onderzoek komt uit de koker van werkgeversfederatie Agoria en handelt over de Belgische context. Het tweede rapport is van het Wereld Economisch Forum (WEF) en neemt de globale situatie onder de loep.

De conclusies van beide studies zijn gelijklopend: de vierde industriële revolutie zal meer jobs creëren dan vernietigen. En ook: de immense technologische vooruitgang kan resulteren in kwaliteitsvolle, werkbare en duurzame jobs voor iedereen. Het toverwoord is hier natuurlijk ‘kan’, want zowel Agoria als het WEF beklemtonen terecht dat een rechtvaardigde win-win-transitie geen vanzelfsprekendheid is. De digitale transformatie kan dus net zo goed leiden tot massale werkloosheid, grotere ongelijkheid en maatschappelijke polarisering.

En dus moet er – om al die nare dingen te vermijden – met man en macht worden ingezet op sociale sturing en omkadering. Wereldwijd moeten kinderen toegang hebben tot kwaliteitsvol onderwijs. Miljoenen werknemers dienen opgeleid en herschoold te worden. Levenslang leren wordt essentieel. Het is de taak van overheden om een faciliterend kader te scheppen. En het is ook aan overheden om een vangnet te creëren voor diegenen die alsnog uit de boot vallen.

Hier komen we bij de kern van de zaak: een geslaagde transitie is slechts mogelijk als de behoeften van de samenleving centraal gesteld worden, en niet – ik zeg maar iets – de winstgevendheid van multinationale ondernemingen. Die keuze is een politieke en maatschappelijke keuze.

En daar wringt het schoentje, natuurlijk. Want ondanks alle mooie woorden over duurzame en werkbare jobs, zien we vandaag vaak het omgekeerde gebeuren: meer onzekere, meer flexibele en slechter betaalde arbeid. Een tijdje terug was ik in gesprek met Guido Nelissen (adviseur bij IndustriALL) over de wereldwijde disruptie in de automobielindustrie. Hij vertelde dat de industriële banen die verdwijnen vaak goede jobs waren, met relatief hoge lonen. En dat veel afgedankte werknemers terechtkomen in minder duurzame en slechter betaalde jobs in de dienstensector. Of – zo voegde hij er nog aan toe – ze worden Uber-chauffeur.

We hebben vaak de neiging om technologische evoluties (robots, artificiële intelligentie, big data, …) als enige oorzaak te zien van de vele veranderingen in de manier waarop gewerkt wordt. Maar de aard van het werk wordt ook – en misschien zelfs vooral – bepaald door beslissingen van bedrijven en beleidsmakers. Zoals econoom Louis Hyman het in de New York Times omschrijft: de aard van ons werk is niet het resultaat van een algoritme, maar het gevolg van maatschappelijke keuzes.

Een App zoals Uber is dan geen oorzaak van disruptie, maar eerder een symptoom. Een gevolg van politieke keuzes (deregulering en flexibilisering van de arbeidsmarkt) die al vele jaren geleden werden gemaakt. Het kan geen kwaad om daar eens bij stil staan. Hoe onze jobs er de komende jaren zullen uitzien (precair of duurzaam, werkbaar of afstompend, creatief of geestdodend) is in de eerste plaats een politiek – en geen technologisch – vraagstuk. Stellen we de mens centraal? Of telt louter de winst?

Wim Careel

Adviseur ABVV-Metaal

Andere blogs van Wim:

Robots op mensenmaatRobots op mensenmaat

Wat is eigenlijk vooruitgang

De voltooiing van de Copernicaanse omwenteling

Waarom een mening spuien over de taxshift best gebeurt met kennis van zaken

Maak werk van werkbaar werk