De samenleving

Lees hier gevarieerde blogs vanuit de gelijkgezinde samenleving. Aan het woord laten we specialisten binnen ABVV-Metaal en uit progressieve middenveldsorganisaties.

 

In gesprek met ... Luc Peiren.

De laatste jaren hoor je rechts steeds meer stemmen opgaan om de vakbondsmacht te beknotten. Bij elke grote staking klinkt de roep om een minimale dienstverlening of rechtspersoonlijkheid voor de vakbonden luider. In een ander register, maar met hetzelfde doel vraagt men het stopzetten van de subsidiëring van de spoorbonden, het belasten van de syndicale premie of het verwijderen van de bonden uit de werkloosheidsverzekering.

Syndicalisme gebreideld

Elk voorstel dient een ideologische agenda die als vanouds wordt ontkend. Rechts wil de banden tussen bonden en werknemers zoveel mogelijk doorknippen. Door de vakbonden uit de werkloosheidsverzekering te bannen, wil men bij de werknemers een belangrijke stimulans wegnemen om aan te sluiten. Ook syndicale premies zijn een instrument van de vakbond om hun leden te belonen voor hun lidmaatschap tegenover de zogenaamde free riders die wel mee profiteren van de realisaties van de bonden, maar zelf geen lid zijn. Dat de spoorbonden een belangrijke rol spelen om de gespannen sociale relaties bij het spoor te pacificeren, wordt weggezet door te wijzen op de vele spoorstakingen die vaak het werk zijn van de corporatistische bonden van de machinisten, maar dat wordt gemakshalve verzwegen.

Stakingsrecht in het vizier

De achterliggende bedoeling van de eerste reeks maatregelen laat zich makkelijk raden. Heeft staken nog zin als er zoiets bestaat als een minimale dienstverlening ? Heeft 120.000 man op de been krijgen nog zin als je achteraf financieel verantwoordelijk kan worden gesteld voor individuen die erop uit zijn om amok te maken, ongeacht het feit of ze lid zijn van de vakbond ? Dat vakbondsleden die zich tijdens zo’n betogingen misdragen nu al vervolgd worden, wordt evengoed niet vermeld.

Historisch belletje rinkelt

Het zal wel beroepsmisvorming zijn, maar als historicus zie je meteen denkpatronen en argumenten uit een ver verleden opdoemen als je die rechtse, neoliberale voorstellen leest. En ja hoor, als je zo’n 150 jaar in de tijd terugkeert, kom je op een belangrijke gebeurtenis in de syndicale geschiedenis van ons land uit waar die voorstellen, argumentaties en denkpatronen gemeengoed waren ...

In 1867 maakte de wetgever komaf met het coalitieverbod en kregen arbeiders het recht om te staken. Maar first things first, dat coalitieverbod, wat was dat eigenlijk ? Met dit verbod ­ de wet-Le Chapelier uit 1791 - wilde de jonge Franse republiek komaf maken met elk obstakel op het pad van de individuele vrijheid om te ondernemen. Met één pennentrek schafte de Franse wetgever de gildes af. Maar diezelfde pennentrek verbood op straffe van gevangenis en geldboetes ook coalities van arbeiders (vakbonden) om hogere lonen en/of betere arbeidsvoorwaarden af te dwingen. In de liberale logica van de Franse burgerij moesten werkgevers en werknemers daar individueel over onderhandelen. Vandaag doet die gedachtegang een belletje rinkelen ... Denk maar aan het voorstel van 2015 waarmee de N-VA-kamerleden Demir en Spooren pleiten voor individueel overleg tussen werknemers en werknemers. Onderling kunnen zij ‘vaak tot oplossingen komen die voor beide partijen een goede zaak zijn.’ Als de vakbonden tegen dat soort voorstellen zijn, kunnen zij toch niet anders dan conservatief zijn. Maar is dat wel zo ?

Arbeider is vogel voor de kat

Om die vraag te beantwoorden, is kijken naar het verleden misschien vergezocht, maar toch ook niet zonder nut. Net zoals vandaag had de werkgever in het pas onafhankelijke België - dat de wet-Le Chapelier overnam - de overheid aan zijn zijde . In 1831 was dat wel veel duidelijker: de arbeider had geen stemrecht, de werkgever wel. Die zette de wet dan ook naar zijn hand om zijn belangen veilig te stellen. Dat vertaalde zich in wetten die niets aan de verbeelding overlieten. Zonder zijn verplicht werkboekje (1840) kon de arbeider nergens aan de slag. De werkgever van zijn kant mocht zijn opmerkingen over de arbeider zomaar in dat werkboekje noteren en dat boekje zelfs afnemen, zodat de arbeider nergens nog aan de bak kwam en in de werkloosheid of de armoede belandde. Maar het kon nog gortiger, want het ook van de Fransen overgenomen artikel 1781 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde dat werkgevers bij betwistingen over het loon op hun woord geloofd werden, en arbeiders hun gelijk moesten bewijzen. Tja, doe dat maar eens als de werkgever ook nog eens het gerecht aan zijn zijde heeft: tot 1866 weden liefst 1611 arbeiders vervolgd omwille van het coalitieverbod. 144 van hen werden veroordeeld tot een geldboete en 946 vlogen in de cel. Ook werkgevers waren onderhevig aan het coalitieverbod, maar werden vreemd genoeg nooit veroordeeld, ook al maakten zij onderlinge loon- en prijsafspraken.

Staken? Ja, maar...

De afschaffing van het coalitieverbod maakte het veel eenvoudiger om vakbonden op te richten. Daarvoor bestonden die ook al. Soms onder het mom van mutualiteiten, maar was het steeds zaak om onder de radar te blijven en niet de aandacht van de autoriteiten te trekken en straffen te riskeren. In de plaats van het coalitieverbod kwam artikel 310 van het Strafwetboek. Staken mocht vanaf dan, maar aan dat recht werden meteen beperkingen verbonden. Hoor je me al komen ? Ook nu moet je niet lang zoeken om zo’n voorstellen terug te vinden. Artikel 310 voorzag in straffen en boetes als er tijdens stakingen bedreigingen of beledigingen werden geuit. Boycotten of bedrijven op een index zetten mocht evenmin. Samenscholingen aan fabrieken (zeg maar piketten) of aan de woning van een werkgever, werden evengoed straf¬rechtelijk vervolgd, net als het belemmeren van werkwilligen. Ik hou niet zo van de uitspraak ‘de geschiedenis herhaalt zich’, maar een en ander doet onvermijdelijk toch denken aan de recente trend om gerechtsdeurwaarders op stakingspikketten af te sturen ...

Kantelmoment na WO I

Ook na 1867 bleven de werkgevers tijdens sociale conflicten dus nog altijd steviger in hun schoenen staan dan de vakbonden. Die werden om de haverklap vervolgd voor inbreuken op het Strafwetboek. Aan deze praktijk kwam pas een eind toen de arbeiders na de Eerste Wereldoorlog gelijke politieke rechten (het algemeen enkelvoudig stemrecht, wel alleen voor mannen) afdwongen en komaf maakten met de alleenheerschappij van de toenmalige burgerlijke (zeg liberale en katholieke) partijen. Op die manier konden de vakbonden een belangrijk deel van hun eisen realiseren, zoals de achturendag, maar ook de afschaffing van artikel 310 van het strafwetboek (1921). Eindelijk konden Belgische arbeiders ongeremd staken voor hun rechten.

Sociaal overleg krijgt vorm

Maar dan deed zich iets interessants voor. De stakingen die volgden, liggen mee aan de basis van het sociaal overleg zoals we dat vandaag kennen. Na de stakingen van 1921 kreeg het overleg vorm in de sectoren met de eerste paritaire comités die de lonen aan de index koppelden. Sedertdien verkiezen de vakbonden het overleg boven de confrontatie. Want het geeft hen zekerheid over de onderhandelde voordelen op lange termijn en de werkgevers zekerheid over sociale vrede. De algemene staking van 1936 betrok de overheid bij het overleg en resulteerde in de eerste nationale arbeidsconferentie die de arbeiders hun eerste week betaald verlof en de veertigurenweek voor zware beroepen opleverde. Nog een ander conflict, met name de Tweede Wereldoorlog, zorgde ervoor dat het Belgisch overlegmodel definitief vorm kreeg door de organisatie van sociale verkiezingen. Zo kunnen arbeiders hun vakbondsvertegenwoordigers kiezen in de ondernemingsraden en de comités veiligheid en gezondheid.

Niet vakbonden maar voorstellen zijn conservatief

De geschiedenis herhaalt zich niet, maar toch kun je nooit zomaar voorbij aan een aantal lessen uit het verleden. De belangrijkste in deze is misschien wel dat, als het evenwicht tussen werkgevers en werknemers – politiek – verbroken wordt, bepaalde strekkingen snel hun kans proberen te grijpen om dat onevenwicht ook in wetten om te zetten en de werknemers terug in een meer ondergeschikte positie te dringen. Misschien zijn de vakbonden dan toch niet zo conservatief als wel eens beweerd wordt als zij wantrouwig staan tegenover het individueel overleg tussen werkgevers en werknemers, de minimale dienstverlening of de syndicale rechtspersoonlijkheid of als zij zich verzetten tegen (wets)voorstellen om de syndicale premies te belasten, de subsidies van de spoorbonden af te nemen of de vakbonden te weren uit de werkloosheidsverzekering ...

Luc Peiren
Projectmedewerker Amsab

 

Andere blogs vanuit Amsab:

125 jaar Dag van de Arbeid
In gesprek met de directeur van Amsab
There is a war on, you know
Vrouwen en vrede, één strijd
80 jaar congé payé