In gesprek met ... Paule Verbruggen.

Straks vertrekken we weer massaal richting zon. Of blijven we thuis. Maar de meesten van ons zullen hoe dan ook genieten van één of een paar weken vakantie. Betaalde vakantie weliswaar, dat vinden we evident. Maar dat is het niet altijd geweest. Bijna niemand weet wellicht nog dat het betaald verlof pas in 1936, dus 80 jaar geleden, werd ingevoerd. Met dank aan de vakbond.

Voor de arbeiders in de 19e eeuw-begin 20e eeuw bestond er nauwelijks een scheiding tussen werk en vrije tijd. Van vakantie in de huidige betekenis van het woord was er tot in de jaren 1930 geen sprake. Vrije dagen bleven beperkt tot de verplichte feestdagen. Het genieten van verlofdagen was een gunst, verstrekt door de werkgever en incidenteel binnen bepaalde bedrijfstakken toegekend. De eerste stappen in de richting van meer vrije tijd waren trouwens gericht op de verkorting van de werkdagen. Tot 1870 bleef de twaalfurige werkdag de algemene regel, vanaf dan gleed die geleidelijk af naar tien uur.

Het startsein voor de strijd voor arbeidsduurvermindering was de oprichting van de Socialistische Arbeidersinternationale (of Tweede Internationale) in 1889. België was een van de laatste landen die de achturige werkdag invoerde: pas in 1919 werd beslist tot de invoering van de 53-urige werkweek, die kort daarop in een achturendag (of 48-urige werkweek) werd omgezet. De belangrijkste doelstelling van de arbeidersbeweging bleef evenwel de verhoging van het loon. Met crisis van de jaren 1930 klonk de eis voor verkorting van de arbeidsduur weer sterker. De veertigurige werkweek werd echter niet zozeer geëist omwille van meer vrije tijd, maar wel ter bestrijding van de werkloosheid. De diamantsector – met zijn zeer specifieke arbeidsverhoudingen en werkomstandigheden – staakte in 1935 met succes voor de veertigurenweek.

In mei 1936 had België – in navolging van Frankrijk – af te rekenen met een grote nationale staking. Die resulteerde in een Nationale Arbeidsconferentie waar een akkoord werd gesloten tussen werknemers en werkgevers over onder meer de veertigurenweek en de toekenning van zes betaalde vakantiedagen per jaar. De uitvoering van de veertigurenweek zou nog veel voeten in de aarde hebben; voor het betaald verlof werd een kaderwet gestemd op 8 juli 1936. Dit laatste gebeurde onder sterke invloed van Frankrijk, waar in 1936 door de Volksfrontregering van Léon Blum vijftien dagen congés payés werden ingevoerd.

De eis voor betaald verlof leefde hier in België niet zo sterk. In de jaren 1920 namen socialisten en christendemocraten wel enkele initiatieven rond betaalde vakantie, maar van echte actie was geen sprake. Dat die bekommernis ook niet prioritair was bij de arbeiders, blijkt onder meer uit het feit dat de Syndikale Kommissie (de voorloper van het ABVV) een in 1930 opgezette petitie voor het arbeidersverlof moest staken omdat ze niet aan het vooropgestelde miljoen handtekeningen kwam. België was trouwens een van de laatste Europese landen die het betaald verlof invoerde.

Typerend was dan ook dat de arbeiders aanvankelijk hun verlofdagen niet echt als vakantie beschouwden. Zij hielden zich bezig met zaken waar anders geen tijd voor was, zoals huiselijke karweien, familiebezoek ... Pas in de loop van de jaren 1960, naarmate hun inkomen steeg, ontdekten ze ook de geneugten van het reizen en ontwikkelde zich het massatoerisme. Intussen hebben voltijdse werknemers recht op vier weken betaalde vakantie.

En wie betaalt hier nu voor? Wel, wij allemaal. De jaarlijkse vakantie is namelijk een van de pijlers van ons systeem van sociale zekerheid. Het gaat immers ook om een soort ‘vervangingsinkomen’. En het is dus ook een vorm van collectieve solidariteit onder de loontrekkenden: met onze individuele bijdrage en die van de werkgever, aangevuld met overheidsbijdragen, betalen we allen mee aan de congé payé.

Paule Verbruggen
Amsab-ISG

 

Andere blogs vanuit Amsab:

125 jaar Dag van de Arbeid

In gesprek met de directeur van Amsab

There is a war on, you know

Vrouwen en vrede, één strijd