In gesprek met ... Frans Biebaut.

Het Fonds voor Bestaanszekerheid voor de Metaalverwerkende Nijverheid (FBZMN) bestaat dit jaar 50 jaar. Ik was 10 jaar en zat in het vijfde studiejaar bij mijnheer Govaert. Ik herinner mij niet echt veel van deze periode, wel dat mijnheer Govaert korte benen en een lang lijf had. Hij was erg sportief, hij kon op zijn handen staan. Ik verdacht er hem zelfs van dat hij elke ochtend in handenstand door zijn huiskamer liep. Vaderlandsliefde behoorde toen ook tot het curriculum van het 5e en het 6de studiejaar, want op 11 november gingen we, vlaggetje in de hand, met zijn allen naar de Onbekende Soldaat.


Ook de Grote Staking tijdens de jaarwisseling 1960-61 is toen aan mij voorbijgegaan. De ‘staking van de eeuw’ tegen de eenheidswet had haar impact op het sociaal overleg. De eenheidswet werd weliswaar gestemd, maar de vakbonden hadden hun ‘actie-spierballen’ getoond. In de jaren na deze staking waren de werkgevers er niet meer gerust in. De economie groeide sterk en de ondernemers wilden hun productie opdrijven zonder gestoord te worden door stakingen en acties. Aldus ontstond er een klimaat waarin de werkgevers vlotter ingingen op de eisen van de vakbonden, zij kochten hun ‘sociale vrede’ af. Als vakbond kregen we meteen ook te maken met een zekere regulering van de sociale onrust.

Begin 1958 kwam er een wetgevend kader voor de oprichting van een Fonds voor Bestaanszekerheid tot stand. Voor deze wet functioneerden er al Fondsen voor Bestaanszekerheid onder meer in de havens van Antwerpen, Gent en Brussel. Hoewel de oprichting van Fondsen voor Bestaanszekerheid altijd heeft opengestaan voor alle sectoren/paritaire comités, komen zij praktisch niet voor in de schoot van de paritaire comités voor bedienden. In het verleden ging men er namelijk van uit dat een bediende mondig genoeg was en aldus veel meer kon regelen via zijn individuele arbeidsovereenkomst .

Oorspronkelijk en nog steeds, voorzien Fondsen voor Bestaanszekerheid voor de arbeiders in een sectorale aanvulling op de één of de andere uitkering in het kader van de Sociale Zekerheid bijv. bij tijdelijke werkloosheid, bij SWT. In sommige gevallen komt een Fonds ook tussen waar de Sociale Zekerheid afwezig blijft: bijv. als werken door de weersomstandigheden onmogelijk wordt, betaalt het Fonds van Bouw een vergoeding genaamd ‘weerverlet’ uit.

Daarnaast financieren de Fondsen ook paritaire vormingsinitiatieven.

De Wet van 1958, een belangrijke wet!

Deze wet geeft aan de Fondsen voor Bestaanszekerheid een gezicht, veel mogelijkheden en bovendien een statuut met rechtspersoonlijkheid. Fondsen kunnen opgericht worden met als doel: de financiering en de uitkering van sociale voordelen en/of de financiering en de organisatie van opleiding en/of de ontwikkeling van initiatieven in het kader van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers.

De statuten van een FBZ worden in een paritair comité vastgelegd door middel van een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst. Dit laatste zorgt ervoor dat geen enkele werkgever ontsnapt aan de betaling van de bijdragen. Als een werkgever uit het solidariteitsnetwerk zijn bijdrage niet betaalt of kan betalen, betekent dit niet dat aan zijn werknemer daarom een vergoeding van het Fonds wordt ontzegd.

De bijdrage voor de financiering van het Fonds worden vastgelegd in de statuten. Deze kunnen geïnd worden hetzij door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) (samen met de socialezekerheidsbijdrage), hetzij door een andere instelling (overeen te komen in de schoot van het paritair comité).

Er wordt een boekhoudkundig plan opgelegd en de boekhouding van elk Fonds wordt gecontroleerd door een revisor. Zij wordt bovendien elk jaar officieel neergelegd in het paritair comité. Fondsen voor Bestaanszekerheid worden niet beheerd in achterkamertjes rond grote vetpotten, zoals sommige volksvertegenwoordigers ooit wel eens suggereerden.

Bij financiële moeilijkheden kan de voogdijminister (minister van Werk) ingrijpen.

200 % solidariteit

Laten we beginnen langs werkgeverskant. Je kunt als werkgever een periodieke uitkering of een vergoeding voor je arbeiders gewoon rechtstreeks aan hen in één keer betalen. Of je betaalt aan een Fonds vier maal een kwartaalbijdrage en je laat de toepassing van de vastgelegde modaliteiten en de uitkering ervan, aan hen over. Je mag er donder op zeggen dat alle collega-werkgevers groot of klein, dezelfde bijdrage aan het Fonds zullen betalen.

En dan wij...

Je bent werknemer en je wordt tijdelijk werkloos of je wordt ziek of je gaat met SWT of met pensioen. Dankzij het Fonds ontvang je een vergoeding gefinancierd door bijdragen van elke werkgever die tot de sector behoort. De financiering van die vergoeding gebeurt op basis van een procentuele werkgeversbijdrage op alle lonen in de sector.

Je bent werknemer en je bent 58 jaar en nog steeds ziek. Volgens het FBZMN heb je het statuut van oudere zieke. Je werkgever gaat failliet en betaalt dus ook geen bijdrage meer voor het FBZMN. Geen zorg, tot aan je wettelijk pensioen blijf je je aanvullende vergoeding verder van het FBZMN ontvangen.

Je bent werknemer in een klein bedrijfje. Je voldoet aan de voorwaarden om met SWT te vertrekken. Je baas wil je niet laten gaan, want de aanvullende vergoeding (bedrijfstoeslag) kost hem teveel. Als je hem vertelt dat het FBZMN een deel (soms volledig) van de aanvullende vergoeding ten laste neemt, verandert hij van gedacht.

Wat is er bijzonder aan ons FBZMN?

De werking van het Fonds wordt gefinancierd door een bijdrage van 4,62 % op de loonsom. Het gedeelte voor het sectoraal pensioen wordt doorgestort aan het Pensioenfonds Metaal. Het gedeelte voor de financiering van de opleidingen wordt doorgestort aan de regionale opleidingsfondsen. Dit percentage is er niet zomaar gekomen, maar was en is nog steeds het voorwerp van onderhandelingen naar aanleiding van een sectoraal akkoord. Jouw loon zou vandaag 4,62 % hoger kunnen zijn, maar dan was er geen sprake van een FBZMN, geen sprake van enige vergoeding, geen sprake van solidariteit,...

De middelen van het FBZMN worden paritair en in overleg beheerd. De logistieke organisatie van het FBZMN is een staaltje van evenwicht via sociaal overleg. De werkgevers (niet de RSZ) zijn verantwoordelijk voor de inning van de bijdragen. In die hoedanigheid staan zij net als de RSZ op de eerste rij als er bij een faillissement vereffend wordt. Zij hebben ook het recht om slechte betalers een verwijlintrest aan te rekenen.

Voor elke werknemer met SWT wordt vanaf 58 jaar niet alleen een maandelijkse aanvullende vergoeding betaald, er wordt ook een reserve van 7 jaar aangelegd (tot zijn of haar 65 jaar). Indien er tijdens die 7 jaar iets zou gebeuren met het FBZMN, dan is zijn of haar aanvullende vergoeding toch gegarandeerd.

Wat kan er dan gebeuren? Dat zijn momenten dat de financiële reserves van het FBZMN zwaar moeten aangesproken worden. Er zijn de grote sluitingen Renault, Volkswagen, Opel en Ford, de momenten van crisis wanneer de (tijdelijke) werkloosheid piekt. Al deze momenten hebben we steeds kunnen opvangen.

In 1999 onderhandelden wij over een sectoraal pensioenstelsel. Tot dan toe was het enkel mogelijk om een aanvullend pensioen op ondernemingsvlak te organiseren. Wij organiseerden het voor al onze arbeiders in de schoot van het FBZMN. Het was een echte doorbraak om een aanvullend pensioen op sectoraal vlak te organiseren. Er was geen specifieke reglementering voorzien maar het FBZMN had ervaring met de uitkering van aanvullende vergoedingen. In 2003, pas 4 jaar later, kregen de sectorale aanvullende pensioenen hun wettelijk bestaansrecht in de WAP . In deze wet kregen de Fondsen voor Bestaanszekerheid een verbod opgelegd om sectoraal aanvullende pensioenen te organiseren.

De toekomst met het FBZMN?

Het FBZMN als sectoraal verlengstuk van de Sociale Zekerheid komt meer en meer onder druk te staan.

Naar aanleiding van de Wet die de opzegtermijnen voor arbeiders en bedienden gelijktrok, werd aan de Fondsen een verbod opgelegd om nog aanvullende vergoedingen uit te keren bij volledige werkloosheid. Voordien waren de opzegtermijnen voor de arbeiders aanzienlijk korter dan voor de bedienden. Dit werd destijds gedeeltelijk gecompenseerd door een aanvullende vergoeding bovenop de werkloosheidsuitkering toe te kennen. De Wet stelt dat de ontslagkost voor arbeiders niet mag verhoogd worden.

Op basis van academische en ministeriële werkstandaarden is er de laatste jaren een nieuw maatschappelijke credo ontstaan, namelijk het ‘langer werken’. Het pensioen komt later, zelfs pas op 67 jaar, dan kunnen we eindelijk genieten van reuma, chronische rugpijn, kanker en hopelijk nog van onze vrije tijd. De regering-Di Rupo en de besparingsregering-Michel I hebben zwaar het mes gezet in de faciliteiten voor de eindeloopbaan. Een brugpensioen of beter gezegd een SWT wordt een uitzondering. De leeftijd voor landingsbanen wordt opgetrokken naar 60 jaar. Tegelijkertijd blijft de bedrijfswereld hopeloos achter om het werk werkbaar te houden: in eerste instantie voor die oudere werknemers, maar ook voor de jongeren die een verplichte loopbaan van 47 jaar tegemoet gaan.

Het FBZMN krijgt een nieuwe dimensie

Vakbonden en werkgevers in de sector hebben op korte termijn het plan opgevat om een sectoraal model werkbaar werk op te zetten. Het FBZMN zal daarbij een ondersteunende rol krijgen. Het FBZMN zal de tewerkstelling ondersteunen en financieel tussenkomen als de loopbaan door omstandigheden moet wijzigen (korter werken, overgang van een nacht- naar een dagregime,...).

De bedienden in onze sector metaalbouw hebben recent ook een Fonds voor Bestaanszekerheid opgericht. Dit is zeker bemoedigend, want zelfs met een eenheidsstatuut zal er sowieso een Fonds voor Bestaanszekerheid blijven bestaan.

Vermoedelijk realiseerden in 1965 noch ikzelf als broekventje, noch mijnheer Govaert, toen hij nog iedere ochtend op zijn handen kon staan, ons wat een uniek instrument van solidariteit het Fonds voor Bestaanszekerheid voor de Metaalverwerkende Nijverheid zou zijn. En dat blijft het 50 jaar later nog steeds.

Frans Biebaut
Hoofdadviseur ABVV-Metaal

 

Andere blogs van Frans:

2014, het jaar van de ‘losse eindjes’ van het eenheidsstatuut