In gesprek met ... Philippe Diepvents.

De afgelopen vier jaar steeg de verkoop van antidepressiva  met 13 % tot meer dan driehonderd miljoen dagdosissen in 2014. Dat is voldoende om 1 op de 13 Belgen elke dag een dosis te laten slikken. De verkoop van antipsychotica steeg met 18 %. Bijna 10 % van de werknemers kampte in 2013 met acute psychische vermoeidheid en burn-outklachten. Eenzelfde percentage werd waargenomen onder zelfstandigen. Dat zijn 220.000 werknemers en 33.000 zelfstandigen die 'het' niet meer aankunnen. Bovendien: dit zijn cijfers over wie nog aan het werk is. Uit de jaarverslagen van het RIZIV blijkt dat het aantal mensen dat omwille van psychische problemen in de invaliditeit terechtkomt, de laatste tien jaar verdubbelde tot meer dan 90.000.

Volgens de werkbaarheidsmonitor, een grootschalig, periodiek onderzoek naar het welbevinden van werknemers in Vlaanderen, ziet ruim 35 % van de mensen zich de huidige job niet op dezelfde manier volhouden tot aan het pensioen . Stress is daarbij een bepalende factor. Bij de groep met een stressvolle job loopt dat cijfer op tot ruim 40 %.
Dat is op zich een ernstig maatschappelijk probleem, maar in een economisch en politiek model dat uitgaat van het idee dat we almaar langer moeten werken, is het nog meer dan dat. Het is een economisch probleem. Moet de lat nu liggen op werken tot 60, 65 of 67 jaar? Als vier op de tien het pensioen niet eens zal halen, is dat een discussie in het ijle. De uitdaging op lange termijn om onze economie in stand te houden is: Hoe maken we dat mensen gelukkiger zijn in hun job en die dus ook langer volhouden?

De voorbije twintig jaar hebben al horden arbeidsmarktexperts zich gebogen over stress en de kwaliteit van werk. In die twintig jaar is er één remedie die steevast wordt aangehaald als de sleutel om tot een oplossing te komen: Vrijheid. De voorstellen die nu vanuit politieke hoek gelanceerd worden, komen op hetzelfde neer. Meer flexibiliteit in het organiseren van werk en vrije tijd. Maar werkt dat wel?

Free your mind, and the rest will follow

Het geven van meer vrijheid en inspraak in de organisatie van het werk zorgt ervoor dat mensen gelukkiger zijn in hun job, dat ze die beter kunnen combineren met hun gezin en dat de stress daalt. Erg veel maatregelen die er de laatste jaren werden uitgedacht, vertrekken van die premisse: Het nieuwe werken, waarbij je meer mogelijkheden krijgt om zelf je tijd in te delen, flex-plekken, zelfsturende teams, thuiswerk,... Noem maar op. Veel mensen hebben een positieve ervaring met dit soort systemen, wat hun populariteit nog aanzwengelt. Vaak zijn ze ook erg innovatief en klinken ze verfrissend. Denk maar aan sessies mindfulness op de werkvloer of – mijn persoonlijke favoriet - de recente oproep van een Nederlandse professor die stelde dat de sleutel tot meer arbeidsvreugde vooral ligt in het verminderen van het aantal leidinggevenden. 

Maar er zijn ook kritische geluiden. Het belangrijkste pijnpunt, zo menen velen, is dat al die oplossingen misschien prima kunnen werken voor hoogopgeleide kantoorjobs, maar vaak veel minder toepasbaar zijn op laaggeschoolde jobs in een productiecontext. Hoe geef je immers meer vrijheid aan iemand die tegen de klok verpakkingen afwerkt aan de lopende band?

Sommigen stellen daarom een alternatief voor: Minder werken. Arbeidsduurvermindering is al heel lang een beproefd recept, maar de laatste jaren is het idee aan een sterke revival toe. De 30-urenweek, de 20-urenweek, het zijn begrippen die steeds vaker als de oplossing naar voren worden geschoven. Ook daarop komt er echter veel kritiek: onbetaalbaar, onwerkbaar, en hoe zal dit meer jobs opleveren, als je weet dat je niet elke job zomaar in twee kan knippen?

Baanbrekend onderzoek, of niet?

Recent verscheen er een nieuwe studie van de Stichting Innovatie en Arbeid. Die bekijkt de jobs in Vlaanderen vanuit twee oogpunten: is er een hoge of lage werkdruk en heeft de persoon veel of weinig vrijheid om het werk te organiseren? Zo komt men tot vier soorten jobs.

High strain jobs, die te omschrijven zijn als 'slopend', kennen hoge werkdruk en weinig regelmogelijkheden. Low strain jobs, of 'ontspannen' werk kent een lagere werkdruk en veel vrijheid. Passive jobs zijn dan weer 'saai' te noemen: er is weinig uitdaging en weinig vrijheid. Active jobs, ten slotte, combineren een hoge werkdruk met veel vrijheid: het gaat om 'uitdagend' werk. Het is moeilijk om concrete voorbeelden te geven bij die vier types. In de meeste sectoren en beroepsgroepen komen alle soorten jobs voor. Uitdagend werk komt wel vaker voor bij hogere kader- en directieleden (59,1 %), bij professionals en middenkaders (46,3 %), bij onderwijskrachten (38,0 %) en bij de zorgberoepen (33,3 %). Kortgeschoolde arbeiders hebben dan weer vaker saai werk (46,5 %) en slopend werk (19,4 %). Ontspannen werk vinden we vaker terug binnen de onderwijssector (50,4 %), bij de geschoolde arbeiders en technici (47,9 %), en bij de uitvoerende bedienden (40,3 %). Men ging kijken hoe de mensen in deze jobs zich voelen en of ze het zien zitten om tot aan het pensioen aan de slag te blijven. Eigenlijk is de vraag dus: van welke jobs hebben we er meer nodig, opdat meer mensen langer aan de slag zouden blijven?

De eerste vaststelling is weinig verrassend: slopend werk scoort op alle vlakken erg slecht. Het demotiveert en nauwelijks 1 op 3 van de mensen in die jobs zegt het werk ook te kunnen volhouden op termijn.
De tweede vaststelling viel ook te verwachten. Mensen met stressvolle jobs, die in hun werk meer vrijheid krijgen, scoren een pak beter. Maar toch gaat de stelling dat vrijheid de druk wegneemt niet volledig op. Zelfs bij deze groep kampt nog 45 % met flinke problemen rond stress. Ook qua motivatie scoren de uitdagende jobs niet het beste. Zo'n 6 op 10 denkt dat hun job haalbaar is tot aan het pensioen.

De beste leerling van de klas is echter de low strain job, oftewel de ontspannen job. Daar ziet 81 % zich de loopbaan tot aan het eind volhouden en ook op de andere aspecten van welbevinden scoren ze beduidend beter.
Op basis van gezond verstand hoeft ook dit niet te verrassen. Veel vrijheid krijgen, dat kan inderdaad voor een stuk maken dat je je beter voelt in een te drukke job. Maar de beste oplossing voor een te drukke job blijft natuurlijk... dat die minder druk wordt.

Deze studie leert ons op zich niet zo heel veel nieuws. Het verbijsterende is vooral de vraag die dit alles opwerpt: als we weten dat het minder druk maken van banen betere resultaten oplevert dan het geven van meer vrijheid enflexibiliteit, waarom zetten we dan de laatste twintig jaar bijna uitsluitend in op het laatste?

Waarom zijn we gefixeerd op vrijheid?

Wie streeft naar meer banen met een grote vrijheid en flexibiliteit, die streeft ernaar om het wat leefbaarder te maken voor wie een stressvolle job heeft. Men probeert met andere woorden van slopende jobs uitdagende jobs te maken, om zo het aantal mensen dat het volhoudt tot aan het pensioen in die categorie op te krikken van 40 % tot 60 %. Wie daarentegen inzet op het minder druk maken van banen, richt zijn pijlen op het streefdoel van 80 % mensen die langer werken. Een aanzienlijk verschil als je het in termen van kosten/baten voor de sociale zekerheid zou bekijken.

Waarom zijn we dan zo gefixeerd op het verhogen van de regelmogelijkheden en de vrijheid? Een eerste verklaring is economisch. Wie meer vrijheid krijgt, werkt meer. Het is niet moeilijk om je daarbij iets voor te stellen. Wie zelf zijn job kan sturen, zal vaker 's avonds of in het weekend thuis nog snel iets afwerken. Wie vier vijfden werkt, zal regelmatig toch iets presteren op zijn vrije dag. Wie thuiswerkt, begint vaak vroeger en stopt later met werken omdat de reistijd van en naar het werk wegvalt. Nogal wiedes dus, dat er veel meer draagvlak is bij werkgevers voor dit soort formules dan voor formules die het werk minder druk zouden maken.

Maar dat betekent niet dat ze daarom ook maatschappelijk of zelfs voor een individu altijd de beste oplossing zijn. Stel dat het mogelijk is om iedereen een job met veel vrijheid te geven. Dan nog zullen vier op de tien mensen in die actieve, uitdagende jobs uiteindelijk de eindmeet niet halen. En dan hebben we nog steeds een probleem, met z'n allen.

Een tweede verklaring zit in ons hoofd. Wat zeg je wanneer iemand je vraagt hoe het gaat op het werk? Dat het druk is. En als dat niet zo is, dan zegt je dat toch, want je wil niet overkomen als een luiwammes. Druk bezig zijn is een statussymbool geworden. Ook als dat ten koste gaat van onze gezondheid. En dat is een probleem. Een probleem voor eenieder individueel én een probleem voor onze samenleving. Het is ook in economische termen heel erg duur. Kijk maar naar de genoemde cijfers inzake burn-out en de verkoop van antidepressiva.

We moeten af van de idee dat wie het druk heeft, benijdenswaardig is. Wie geen drukke baan heeft, die zal zich wel vervelen, denken we. Of die is vast weinig ambitieus en uitgeblust. De resultaten van onderzoek spreken dit alleszins tegen. Al jaren. Wie geen drukke baan heeft, die is eigenlijk best tevreden. En net dat is benijdenswaardig. We moeten, ook om economische redenen, naar een systeem waarin we het bewonderen wanneer iemand relaxed door het leven gaat. Wauw, die gaat het halen tot aan zijn pensioen! Het na te streven ideaal, zo blijkt uit de cijfers, is niet vrijheid maar blijheid: vrijheid plus niet al te veel werkdruk.

Naar een utopie?

Hebben de voorstanders van arbeidsduurvermindering dan gelijk? Niet noodzakelijk. Minder druk is immers niet hetzelfde als minder uren werken. Wat is er beter: dertig in plaats van veertig uur per week werken als een gek, of veertig uur werken aan een meer relaxed tempo? De meningen zullen daarover verdeeld zijn. Maar het minder druk maken van banen heeft wel één voordeel ten opzichte van arbeidsduurvermindering: het is makkelijker te realiseren. De economische kost is er nog steeds: er zal bijkomend aangeworven moeten worden. Deze kost is wel veel kleiner dan de kost om verder te doen zoals we bezig zijn. De praktische organisatie is echter iets eenvoudiger. In plaats van het hele systeem om te gooien en de werkweek te verkorten voor iedereen, kan je gericht inzetten op bepaalde jobs en sectoren waar de werkdruk echt problematisch is.

Natuurlijk mogen we niet voorbij gaan aan het feit dat niet alle jobs zomaar om te vormen zijn, noch naar minder drukke, noch naar meer vrije varianten. De grootste fout die arbeidsmarktexperten keer op keer maken, is dat zij zoeken naar één weg die voor iedereen werkt. Wat we vooral niet moeten doen is streven naar één utopie. Als we het erover eens zijn dat het beroep van lasser en dat van bankbediende weinig met mekaar te maken hebben, waarom gaan we er dan van uit dat we één strategie kunnen vinden, of dat nu flexibiliteit is of arbeidsduurvermindering, die voor beiden werkt?

Voor wie in een slopende job zit, is het verminderen van de werkdruk de beste oplossing, zowel individueel als maatschappelijk bekeken. Als dat om een of andere reden niet kan, dan kan het aangewezen zijn om in te zetten op meer vrijheid. Als ook dat niet mogelijk is, wel dan is de enige verantwoorde oplossing om de arbeidsduur te verminderen voor deze jobs en/of (waarschijnlijk én) de leeftijd waarop je kan uitstappen flink wat lager te leggen. De meerderheid van deze mensen haalt immers nooit de eindmeet. Wat je ook doet.

Voor die jobs waar we de negatieve effecten van stress kunnen reduceren met meer vrijheid, moeten we dat vooral doen. Maar we moeten daarbij erg goed beseffen dat dit een suboptimale oplossing is, die nooit zal volstaan om het probleem op te lossen op de lange termijn. Voor een heel wat mensen is dit de oplossing om langer te kunnen werken, voor een eveneens grote groep is het dat niet.

En wie in een ontspannen job zit? Die moet vooral gekoesterd worden als lange termijn bijdrager aan de sociale zekerheid en diens werkdruk wordt dus best niet verhoogd.
Als we selectief en gericht alle instrumenten inzetten om het werk meer doenbaar te maken, en daar dan ook de economische en maatschappelijke kost van dragen – nogmaals: een kost die in ieder geval kleiner zal zijn dan die van hoe we momenteel bezig zijn – dan kunnen we wel tot een duurzame oplossing komen.

Tot slot nog één bedenking. Wat met de groep die relatief weinig problemen ervaart? Ik denk aan mensen die in een actieve, uitdagende job zitten en best tevreden zijn met hun manier van werken. Hebben zij dan alleen maar te verliezen? Nee, want het is immers niet omdat je vandaag de druk best aankan, al dan niet met behulp van allerlei innovatieve technieken en ideeën, dat je dat morgen ook nog kan. Een ziekte, een ongeluk, of gewoon wat ouder worden... het overkomt iedereen.

De mogelijkheden om over te gaan van een uitdagende naar een minder drukke job zijn op heden erg beperkt. Dit kan eigenlijk niet zonder een sterke connotatie van demotie, loonverlies of van falen.
En eigenlijk is dat idioot, want dat vertrekt van de idee dat we allemaal superhelden zijn én zullen blijven. Daar waar ontspannen jobs haalbaar zijn, zouden we dan ook veel meer uitwijkmogelijkheden moeten creëren voor wie in slopende of actieve jobs zit, zodat men makkelijker kan overstappen wanneer er zich toch een probleem voordoet. De stap van een drukke naar een minder drukke baan zou een logische stap moeten zijn, niet een stap terug.

Opnieuw zou dat niet alleen sociale baten hebben, maar ook economische. Het zou een manier kunnen zijn om de ervaring van wie zich jaren heeft afgejakkerd toch binnen de sector of het bedrijf te houden.

Conclusie: vrijheid of blijheid?

Meer vrijheid is best een goed recept voor heel wat mensen op sommige momenten in hun leven. Maar op lange termijn en op macroniveau ligt de toekomst van werk elders: in meer blijheid en dus in minder drukke banen. Het gericht verminderen van de werkdruk, niet via lapmiddeltjes en omwegen maar rechtstreeks, dat is dé grote blinde vlek in het beleid rond werkbaar werk en langer werken. Meer nog, door doorgedreven besparingen dreigen de werkdruk in heel wat jobs eerder toe te nemen, waardoor er minder mensen langer aan de slag zullen blijven. Nochtans kan het anders, bijvoorbeeld door al die maatregelen die nu worden uitgewerkt om de loonkost te verlagen niet te vrijblijvend aan te pakken, maar expliciet te richten op de creatie van meer én meer ontspannen jobs.

Philippe Diepvents
Adviseur arbeidsmarktbeleid en sociale economie ABVV

 

Andere blogs van Philippe:
Is begeleiden naar werk zinloos?

Andere blogs over werkbaar werk:
Voor werkbaar werk door werkzekerheid
Langer werken met de huidige arbeidsdruk?
Werkbaar werk. Dé syndicale uitdaging
Maak werk van werkbaar werk!