Het recht om te bestaan voor de wet (artikel 6) hangt vaak samen met het recht op een nationaliteit. Een nationaliteit is immers in veel situaties een noodzakelijke voorwaarde om te bestaan voor de wet. Mensen die ‘apatride’ zijn – door omstandigheden niet over een nationaliteit beschikken – vertoeven in een vacuüm om hun rechten ten volle uit te oefenen.

Er gelden wel specifieke beschermingsregels voor deze groep. Mensen die in België – meestal na een moeilijke procedure – erkend zijn als apatride, kunnen bijvoorbeeld niet zomaar uitgewezen worden. Anderzijds: dat geeft apatriden niet vanzelf recht op een andere nationaliteit en zelfs geen automatisch verblijfsrecht. Ze blijven daarom vaak hangen in een soort juridisch vacuüm. Ze botsen op kafkaiaanse procedures waarbij geen enkele staat verantwoordelijkheid wil nemen voor hun bestaan.

Vele mensen bekijken nationaliteit – die van henzelf of die van anderen – in de eerste plaats als een identiteitskwestie. Nochtans is het veel meer of zelfs iets helemaal anders. De nationaliteit van mensen bepaalt hun staatsburgerschap: ze verbindt burgers met een staat en daarmee tegelijk ook met een overheid. Die staat draagt een verantwoordelijkheid tegenover zijn burgers. De ambassade zal bijvoorbeeld tussenkomen wanneer een onderdaan in het buitenland in de problemen komt. Nationaliteit houdt ook verantwoordelijkheden in voor de burgers, zoals bijvoorbeeld legerdienst of stemplicht.

Niet alleen een nationaliteit hebben, maar vooral welke het precies is, bepaalt veel. Iemands nationaliteit bepaalt bijvoorbeeld niet alleen de kleur van zijn paspoort, maar in de eerste plaats waar hij er wel of niet mee heen kan en welke gemakkelijke of onoverkomelijke stappen hij daarvoor moet ondernemen. De ene nationaliteit is daarom al meer gegeerd dan de andere. In ons land is er de laatste jaren een tendens om de procedures om Belg te worden te verstrengen. De nadruk komt (weer) meer te liggen op voorwaarden om de nationaliteit te ‘verdienen’, zoals de taal kennen en werk hebben. Achterliggend ligt de discussie wat er eerst komt: nationaliteit of participatie. De ene ziet de nationaliteit als een bekroning van een geslaagde ‘integratie’. De andere eerder als een instrument dat maatschappelijke participatie bevordert: mensen vinden er gemakkelijker werk mee en het stemrecht dat ze ermee verkrijgen stimuleert politieke betrokkenheid. Interessant is ook dat nationaliteitsvoorwaarden niet genderneutraal zijn. Het jaarverslag 2019 van Myria toont dat sinds de klemtoon op werk het aandeel vrouwen dat de Belgische nationaliteit kreeg, sterk is gedaald.

Sommige mensen hebben een dubbele nationaliteit. Bijvoorbeeld na migratie verkrijgen ze de nationaliteit van hun verblijfsland en behouden tegelijk de nationaliteit van hun herkomstland. Of als twee ouders staatsburger zijn van een verschillend land, kan het dat hun kind beide nationaliteiten krijgt, automatisch of na formele stappen. Dubbele nationaliteit is voor sommige mensen een keuze, voor anderen laat de regelgeving in een van de betrokken landen hen weinig keuzevrijheid. Zo kunnen mensen geboren met de Marokkaanse nationaliteit, officieel geen of moeilijk afstand doen van die nationaliteit. Ook als ze Belg worden, blijven ze dus tegelijk Marokkaan. 

Dergelijke regels lijken op gespannen voet te staan met het recht om van nationaliteit te veranderen, zoals het vermeld staat in artikel 15. Mensen kunnen wel een nieuwe nationaliteit aannemen, maar de andere niet laten vallen. Bij dubbele nationaliteit is het niet zo dat beide landen tegelijk verantwoordelijk zijn voor alles. Wanneer mensen in het ene land verblijven vallen ze doorgaans alleen onder de bevoegdheid van dat betreffende land. Als ze dan problemen krijgen – bijvoorbeeld door politiek activisme tegen de overheid van dat land – is het niet de bedoeling dat het andere land tussenkomt.

In andere situaties grijpt een overheid de dubbele nationaliteit – of zelfs de nationaliteitshistoriek – aan om zijn verantwoordelijkheid tegenover onderdanen te ontlopen. Als mensen in een derde land in de problemen komen, kunnen beide landen de hete aardappel naar elkaar schuiven. Dat risico is met name groot bij ernstige feiten die sterk leven in de publieke opinie, zoals vermoedens van terrorisme. Nog verdergaand is de regel dat Belgen die in België veroordeeld worden voor (bepaalde) criminele feiten in België gepleegd, hun Belgische nationaliteit ontnomen kan worden om hen vervolgens uit te zetten naar het land van hun andere nationaliteit, of het land waarvan ze ooit de nationaliteit hadden. Dat betekent dat mensen die een andere nationaliteit hebben of ooit hadden, een extra sanctie krijgen bij strafbare feiten in vergelijking met mensen die altijd alleen maar Belg waren. Die praktijk is in strijd met het principe dat voor gelijke overtredingen gelijke straffen gelden. Bovendien holt ze het recht uit om van nationaliteit te veranderen, aangezien die verandering een voorlopig karakter krijgt die ten allen tijde kan ingetrokken worden. Het resultaat is dan ook dat burgers niet meer gelijk zijn voor de wet, nochtans een ander fundamenteel mensenrecht (artikel 2).

 

Over Naima Charkaoui

Y18 2906 ABVV Metaal Universele verklaring van de mens bloggers 400x400px 014

 

Naima Charkaoui was van maart tot en met juni 2019 de Kinderrechtencommissaris ad interim. Ze was al actief op het commissariaat als beleidsadviseur en stond daarvoor aan het hoofd van het Minderhedenforum. Mensenrechten, kinderrechten en diversiteit zijn haar stokpaardjes. In haar boek Racisme. Over wonden en veerkracht houdt ze een pleidooi voor een betere ondersteuning van de slachtoffers van racisme. Nu is ze aan de slag als diensthoofd beleidsdienst bij 11.11.11.