Niemand stelt het recht op een rechtvaardig loon voor werk vandaag in vraag. Hoe zou je ook een onrechtvaardig loon kunnen goedpraten? In de praktijk ligt dat moeilijker, want hoe bepaal je wat een rechtvaardig loon is voor een job? En hoe rechtvaardig zijn de grote verschillen in loon tussen de ene job en de andere? Dat illustreert de bekende vergelijking tussen vuilnismannen en bankiers.


In 1968 legden de vuilnismannen van New York het werk neer. Na een week lag er al 100.000 kg afval in de straten van de Big Apple en werd de noodtoestand uitgeroepen. Toen de Ierse bankiers in mei 1970 een staking aankondigden, zette het hele land zich schrap. Men vreesde dat de economie tot stilstand zou komen, de handel zou stagneren en de werkloosheid zou exploderen. Zes maanden duurde hun staking, maar de voorspelde chaos bleef uit. Waarom betalen we vuilnismannen dan geen hoger loon dan bankiers?

Je kan ook vuilnismannen en vuilnisvrouwen, of bankdirecteurs en bankdirectrices vergelijken. Op enkele nostalgische extremisten na durft niemand nog stellen dat mannen en vrouwen voor gelijk werk geen gelijk loon moeten krijgen. Intussen is het duidelijk dat mannen en vrouwen beide een unieke set van competenties meenemen naar de werkvloer. Soms overlappende maar vaak aanvullende competenties, die wanneer ze evenwichtig aanwezig zijn, een enorme meerwaarde bieden aan om het even welke organisatie.

Toch is er nog steeds een loonkloof in België van gemiddeld 10% (16% Europees gemiddelde). Een bekende verklaring luidt dat vrouwen vaker deeltijds werken door een ongelijke verdeling van de zorgtaken. Wat ook bijdraagt aan de kloof is dat beroepen waarin veel vrouwen tewerkgesteld zijn vaker als deeltijds werk worden georganiseerd (denk aan zorg of schoonmaak). Daarbij komt dat vrouwen vaker blijven steken in lagere en/of minder gevaloriseerde en dus minder betaalde functies dan mannen.

Maar er zijn nog talloze duistere redenen waarom vrouwen minder verdienen dan mannen. Soms worden voor dezelfde functies andere functiebenamingen gebruikt, waaraan andere lonen zijn gekoppeld. Collega’s weten van elkaar niet wat ze verdienen, en mannen zijn in het algemeen betere onderhandelaars voor zichzelf (terwijl vrouwen beter voor anderen kunnen onderhandelen).

Tot slot, het recht op werk voor een beroep dat je zelf kiest, of dat nu vuilnisman of bankier is: veruit het meest controversiële punt in artikel 23 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Hoewel de werkloosheidsgraad historisch laag ligt (5,7%, het laagste percentage sinds het begin van de metingen in 1983) en het aantal openstaande vacatures gestaag stijgt, blijft het wantrouwen regeren. Mensen verdenken elkaar van profitariaat - van luiheid en uitbuiting van het systeem. En ‘strenge maar rechtvaardige’ politici staan in de rij om deze mensen met (zachte) dwang richting arbeidsmarkt te begeleiden. Hoe sneller hoe beter. Zelf een job kiezen wordt dan gezien als een overbodige luxe.

Nochtans bewijzen talloze studies dat geëngageerde werknemers meer initiatief tonen, loyaler zijn, efficiënter zijn en vooral gelukkiger zijn. Wereldwijd verliezen bedrijven miljarden omdat ze er niet in slagen hun werknemers te motiveren. Vanuit een economisch standpunt baat het dus om mensen te helpen om voldoeninggevend werk te vinden. Al kan je het succes van een maatschappij niet enkel meten aan economische indicatoren. Een dikke pluim voor Jacinda Ardern, de eerste minister van Nieuw-Zeeland, die met haar ‘wellbeing budget’ voluit inzet op het welzijn en geluk van haar inwoners. Is dat niet de voornaamste taak van iedere overheid?