In haar elfde artikel benadrukt de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens de noodzaak van het vermoeden van onschuld. Dit vermoeden houdt in dat burgers in strafzaken het voordeel van de twijfel krijgen tot het tegendeel bewezen is voor een onafhankelijke rechtbank. Het principe lijkt misschien zo evident dat het overbodig geworden is. Toch blijft het wel degelijk een belangrijke rol spelen.


Het vermoeden van onschuld hebben we te danken aan de mensen die op de vooravond van de Franse Revolutie genoeg hadden van willekeur. Machtshebbers in het Ancien Regime konden hun opposanten naar believen van hun vrijheid beroven. Daarvoor moest geen sprake zijn van enig misdrijf. Gezien worden als een gevaar voor de bestaande orde was genoeg.

De Franse Revolutie verzette zich tegen deze willekeur. In 1789 werd de Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen toegevoegd aan de nieuwe Franse Grondwet. Deze verklaring moest de basisprincipes vastleggen van de nieuwe Franse staat, waarin de democratie gevestigd werd en de macht terug werd gegeven aan het volk. Ook het vermoeden van onschuld maakt hier deel van uit: de burger wordt beschermd tegen de macht van de overheid door te vereisten dat er voldoende bewijs wordt voorgelegd vooraleer die burger veroordeeld en opgesloten kan worden. Deze verklaring ligt aan de basis van de parlementaire democratie en inspireerde de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens.

Dit is niet alleen in het belang van die specifieke verdachte, maar is ook een fundament van onze democratische samenleving.


Hoe krijgt dit vermoeden van onschuld dan vorm in ons huidig strafrechtssysteem? Ten eerste moet een onafhankelijke rechter – of in het geval van zware criminaliteit een volksjury in het Hof van Assisen – beslissen over schuld of onschuld. Het openbaar ministerie, die de Staat vertegenwoordigt, en de verdachte krijgen allebei de kans om met bewijsmateriaal schuld of onschuld te doen bewijzen. Het vermoeden van onschuld is hierbij een belangrijk gegeven. Het openbaar ministerie verzamelt namelijk zowel bewijs à charge als bewijs à décharge, dus zowel ten voordele als ten nadele van de verdachte. Dit betekent dat het openbaar ministerie er rekening mee moet houden dat je in beginsel onschuldig bent. Het openbaar ministerie wordt ook gezien als een machtiger partij dan de verdachte, aangezien zij het hele staatsapparaat kunnen gebruiken om bewijs te verzamelen. Net omdat er zo’n machtsevenwicht is, moet het openbaar ministerie zowel voor als tegen de verdachte werken. Zij zullen dus ook bewijsmateriaal moeten onderzoeken dat deze onschuld bevestigt. Als verdachte krijg je de kans om je te weren. Je hebt het recht om bewijsmateriaal aan te leveren dat je onschuld bevestigt. Op die manier krijgt de rechter het volledige plaatje te zien en kan er op onafhankelijke wijze een oordeel geveld worden. Dit is niet alleen in het belang van die specifieke verdachte, maar is ook een fundament van onze democratische samenleving.

Het vermoeden van onschuld geldt namelijk, net als alle mensenrechten, voor iedereen. Dit verzekert onze vrije samenleving: we kunnen veilig afwijkende meningen uiten, we kunnen ons vrij verenigen en organiseren, we kunnen innoveren en sociale verandering in gang zetten. Dit allemaal omdat we beschermd worden tegen de willekeur van onze machtshebbers, onder meer door het vermoeden van onschuld. Helemaal geen overbodige luxe dus.

Y18 2906 ABVV Metaal Universele verklaring van de mens bloggers 400x400px 013Over Kati Verstrepen

Kati Verstrepen is voorzitter van de Liga voor Mensenrechten die sinds 1979 inbreuken op de mensenrechten aanklaagt en Belgen alert houdt rond de thema's vrijheid, veiligheid, privacy, detentie en discriminatie. Als advocate is ze al 30 jaar een van de weinige experts in vreemdelingenrecht. Ze wil de Liga verder uitbouwen als waakhond van en kenniscentrum over de mensenrechten.